AmfibieŽn en reptielen


Kikker

Wat is het verschil tussen amfibieën en reptielen en tot welke klasse behoren bijvoorbeeld de adder, hagedis, kikker en salamander?

 

AmfibieŽn


Ringslang

Amfibieën zijn kleine koudbloedige gewervelde dieren die afstammen van de waterbewoners (vissen). Ze kunnen op het land leven, maar voor hun voortplanting zijn ze geheel afhankelijk van water.
De enige in Nederland voorkomende amfibieën zijn: salamanders, kikvorsen en padden.

 

Gevaar voor uitdroging


Salamander

Twee dingen zijn erg belangrijk voor de amfibieën: de temperatuur en de vochtigheid.
Door hun zeer dunne huid bestaat er een groot gevaar voor uitdroging, tijdens hun verpozen op het land. Dit gevaar van uitdrogen wordt sterk verminderd door de slijmklieren die een slijmlaag op de dunne huid afzetten, om zodoende de verdamping tegen te gaan. Wordt het toch te warm dan zoeken ze een koele schuilplaats op. Bijvoorbeeld onder stenen, in het water of in de modder.
De zeer dunne huid is van wezenlijk belang voor de amfibieën omdat een groot deel van hun ademhaling plaats vindt via deze dunne huid, ondanks dat ze longen bezitten. Vlak onder de huid liggen dan ook bloedvaten die de zuurstof rechtstreeks uit de buitenlucht of het water opnemen.

 

Voortplanting


Heikikkers

Voor de voortplanting is water een must, omdat amfibieën eieren leggen, die in plaats van door een schaal, omgeven zijn door een waterhoudende geleimassa (dril). Deze dril wordt in het water gelegd, omdat de eieren op het land snel zouden uitdrogen.
Na enige tijd komen dan de larven tevoorschijn. Deze larven ademen door de kieuwen en de bloedsomloop vertoont veel overeenkomst met die van vissen. Hierna ondergaan de larven een gedaanteverwisseling en verschijnen de poten, verdwijnt de staart en worden de kieuwen vervangen door longen, waardoor de bloedsomloop eveneens verandert.

 

Winterslaap

Amfibieën houden een winterslaap omdat ze koudbloedig zijn. Hun lichaamstemperatuur daalt als de zonnewarmte vermindert en omgekeerd. Ze zijn dan ook geheel afhankelijk van de buitentemperatuur (de zon). Wordt het kouder dan worden ze stijf en traag en trekken ze naar hun schuilplaats terug.
In de winter worden hun levensfuncties bijna geheel stopgezet, dat wil zeggen, de lichaamstemperatuur zakt tot een bepaalde minimumwaarde, waardoor de stofwisseling wordt afgeremd. Hierdoor neemt de behoefte tot voedsel af en spaart het dier energie. Hij teert dan op zijn vetreserves die hij 's zomers heeft aangelegd.

 

-----------------------------------------------------------

 

Reptielen


Ringslang

Reptielen zijn evenals de amfibieën koudbloedig gewervelde dieren, die waarschijnlijk zo'n 300 miljoen jaar geleden ontstaan zijn uit amfibieën. Deze overgang wordt gekenmerkt door een toenemende aanpassing aan het landleven. Reptielen zijn namelijk goed tegen uitdrogen beschermd en zijn voor hun voortplanting geheel onafhankelijk van water.
De enige in Nederland voorkomende reptielen zijn: hagedissen, slangen en hazelwormen.

 

Huid

De huid van reptielen is geschubd, wat wil zeggen dat deze is opgebouwd uit beenplaatjes, die dakpansgewijs of naast elkaar gelegen zijn gerangschikt en met hoorn zijn overdekt. Tussen deze beenplaatjes zitten dunne rekbare stukjes huid om beweging mogelijk te maken. Ademhalen door deze dikke geschubde huid is dan ook onmogelijk, vandaar dat dit door longen wordt geregeld.

 

Voortplanting


Ringslang kruipt uit ei

De eieren van de reptielen zijn beschermd door een vochtdichte laag, die gevormd wordt door een stevige leer- of kalkachtige schaal. De bevruchting is in tegenstelling tot de amfibieën inwendig, voordat de schaal is gevormd.
Sommige slangen en hagedissen dragen hun eieren zolang in het moederlichaam, dat de jongen zich geheel kunnen ontwikkelen. Op het moment dat het ei gelegd wordt of kort daarna, volgt de geboorte.
Anderen daarentegen leggen hun eieren onder mos of in de losse grond waar ze door de warmte van de zon worden uitgebroed.
De geboren jongen ondergaan geen gedaanteverwisseling zoals bij de amfibieën maar zijn direct reptielen in het klein.

 

Winterslaap

Reptielen houden net zoals amfibieën een winterslaap omdat ook zij koudbloedig zijn. Ze houden hun winterslaap vaak in groepen in een onderaardse holte of spleet. Dit gezamenlijk 'slapen' voorkomt warmteverlies.
Een reptiel is wel beter in staat zijn eigen lichaamstemperatuur te regelen dan een amfibie, omdat hij zijn temperatuur volgens eigen voorkeur en binnen nauwe grenzen houdt, door naar behoefte afwisselend koude en warme plaatsen op te zoeken.

 
Jelle Hofstra / Verschenen in de Geaflecht van december 1983

« terug naar overzicht artikelen