Broedvogels in Van Oordt's Mersken

Inleiding

In het voorjaar van 2002 is Van Oordt's Mersken geïnventariseerd op broedvogels, uitgevoerd door SOVON Vogelonderzoek Nederland. Een jaar later dan het geplande 2001, vanwege de uitbraak toen van mond en klauwzeer. De inventarisatie betrof een periodieke basiskartering van Staatsbosbeheer om de kwaliteit van het beheer te toetsen. Hierbij vormen broedvogelgegevens een belangrijk uitgangspunt. De resultaten zijn vastgelegd in het rapport ''Jager K. 2002. Broedvogels van Van Oordt's Mersken. Sovon-inventarisatierapport 2002/15. SOVON, Beek-Ubbergen.'' Dit artikel omvat een samenvatting, met de nadruk op graslandvogels.

 

Gebied en terreintypen


De Dulf

Van Oordt's Mersken (441 ha) is in eigendom en beheer van Staatsbosbeheer regio Fryslân. Het gebied strekt zich uit over de midden- en benedenloop van de oude beek de Boorn, tevens de noordgrens van het onderzoeksgebied. Het oostelijk deel, vanaf de Sweachster Wei, is meest met loofbos bedekt. Naar het westen toe krijgt het landschap een opener, door grasland overheerst karakter. Dwars hier doorheen loopt de snelweg A7. Noordelijk van de Boorn liggen de relatienotagebieden Rome en Simmerpolder en het beheersgebied Koarte Fennen. Van oost naar west is in de volgende deelgebieden naar broedvogels gekeken (figuur 1): Terwispeler Grootschar (35 ha) Hege Geasten (36 ha), Mersken (85 ha), Bouwerspolder (75 ha), Smelle Warren (55 ha) en Dulf (144 ha). Figuur 2 geeft de terreintypen weer, globaal naar de huidige situatie.

 

Grasland (± 379 hectare)

Driekwart van Van Oordt's Mersken bestaat uit halfnatuurlijke graslanden. Het merendeel hiervan is hooiland met als kenmerkende vegetatie dotterbloem. Om diverse vogels een goede kans te bieden op positief broedsucces wordt na 15 juni gemaaid. Op verschraalde percelen in de Mersken, Smelle Warren en Dulf komen zeldzame vegetaties van blauwgrasland voor. Beweid en bemest, soortenarm grasland ligt in de Dulf en Bouwerspolder. In de oostelijke gebiedshelft heerst nog een vrij sterke kwel, maar westwaarts zwakt deze af en is op veel plaatsen verdwenen. Gemiddelde grondwaterstanden in het voorjaar variëren van 25 tot 35 centimeter onder het maaiveld. De peilen zakken soms weg tot meer dan een meter minus maaiveld (Jongeneel 1995), vanwege forse ontwatering in de omliggende veenpolders. In de Mersken, Smelle Warren en Dulf, treden nog regelmatig winterinundaties op.

 

Bos en struwelen (± 26 hectare)

Oud (loof)bos, met vooral eik, is te vinden op de zandruggen in de Hege Geasten en Terwispeler Grootschar. Aan de oostkant van het bos liggen singels en struwelen met eik, els, es, meidoorn en wilg. De voormalige heide in Terwispel Grootschar is grotendeels verbost met grove den, afgewisseld door eik, berk en gagel. Momenteel zijn er nog een paar kleine, recentelijk geplagde heideveldjes. Voornoemd gebied wordt binnen een afrastering jaarrond met koeien begraasd. Qua bos herbergt de Smelle Warren verder nog een restant elzenbroek en groeien langs de oever van de Boorn verspreide bomen- en struwelen.

 

Open water (± 27 hectare)

Open water komt vooral op naam van de Boorn, die zijn meanderende loop grotendeels heeft behouden. De stroomsnelheid is echter gering. Naar het westen toe is de beek plaatselijk afgedamd en versmald, waardoor verlanding dreigt. Via Schipsloot staat de Boorn in verbinding met de Nieuwe Vaart. In Terwispeler Grootschar liggen in de bosrand een paar dobben. In de noordelijke helft van Bouwerspolder is in 1999 een waterbuffer aangelegd, waarbij 12 hectare grasland is omgevormd tot open water. Hoofddoel van de ingreep is tegengaan van verdroging en wegzijging van kwelrijk grondwater vanuit de Mersken. Daarnaast vormt de nieuwe plas een slaap- en foerageerplaats voor watervogels en steltlopers.

 

Methode en veldwerk

Van vrijwel alle soorten zijn de aantallen en verspreiding in kaart gebracht, behalve een kleine selectie algemene(re) soorten, zoals Wilde Eend, Fazant, Meerkoet, Houtduif, Turkse Tortel, Boerenzwaluw, Witte Kwikstaart, Winterkoning, Roodborst, Merel, Zanglijster, Tuinfluiter, Tjiftjaf, Fitis, Bonte Vliegenvanger, Pimpelmees, Koolmees, Gaai, Spreeuw, Huismus, Ringmus, Vink en Groenling. In de Dulf werden deze soorten wel geteld, omdat dit gebied vanaf 1999 een BMP-proefvlak vormt in het kader van het Weidevogel Meetnet Friesland. Dit houdt in dat hier jaarlijks alle soorten worden geïnventariseerd.

De broedvogelgegevens zijn verzameld en naderhand geïnterpreteerd volgens de SOVON BMP-handleiding (van Dijk 1996). Ten aanzien van kolonie- en zeldzame vogels is de SOVON-handleiding Landelijk Soortonderzoek Broedvogels (van Dijk & Hustings 1996) toegepast. Vanaf maart tot en met juni vonden vijf bezoeken plaats, doorgaans verdeeld over twee dagen. Tijdens elk veldbezoek werd, vanaf verschillende startplaatsen, te voet een gebiedsdekkende route afgewerkt. De waarneemcirkel daarbij varieerde van 50 tot 75 meter in besloten en 150 tot 200 meter in open terrein. Voor schemeractieve soorten, zoals Porseleinhoen, Kwartelkoning en Houtsnip zijn bezoeken in nachtelijke uren uitgevoerd.

 

Resultaten


Tabel 1

In totaal zijn 83 soorten broedvogels vastgesteld, waarvan 64 integraal getelde (tabel 1). Hiervan staan twaalf (Dodaars, Geoorde Fuut, Roerdomp, Zomertaling, Porseleinhoen, Kwartelkoning, Kemphaan, Watersnip, Grutto, Tureluur, Visdief en Rietzanger) op de Rode lijst van bedreigde vogelsoorten in Nederland (Osieck & Hustings 1994). Buiten het BMP-proefvlak de Dulf niet getelde, maar wel als broedvogel opgemerkte soorten waren: Wilde Eend, Fazant, Houtduif, Boerenzwaluw, Witte Kwikstaart, Winterkoning, Roodborst, Merel, Zanglijster, Tuinfluiter, Tjiftjaf, Fitis, Bonte Vliegenvanger, Pimpelmees, Koolmees, Gaai, Spreeuw, Groenling en Vink.
 

Tabel 1. Soorten en aantallen in Van Oordt's Mersken (441 ha), in 2002 (vet = Rode lijstsoorten. Cursief = algemene soorten, die alleen integraal geteld zijn in het WMF-BMP-proefvlak de Dulf ).

 

Vergelijking met de weidevogelinventarisatie van 1990


Tabel 2

 ------------------------------------------------------------------------

Noot: een vergelijking met niet weidevogelsoorten ontbreekt, doordat kwantitatieve gegevens hierover zowel onvolledig als onvergelijkbaar waren.

 ------------------------------------------------------------------------

 

In 1990 is in het gebied een weidevogelinventarisatie uitgevoerd (Altenburg & Wymenga 1991), waarbij werkwijze en methodiek hetzelfde zijn. Bij de beoordeling van de vergelijking moet rekening gehouden worden met factoren die van invloed zijn op het resultaat. Ten eerste: tussen verschillende tellers treden waarnemingseffecten op (van Dijk 1996). Ten tweede: na 1990 zijn de graslanden door het verschralende beheer in het algemeen ruiger geworden. Een belangrijke beheersingreep in deze periode is de aanleg van een waterbuffer (12 ha) in 1999. Na tabel 2 volgt een beknopte toelichting op toe- en afgenomen soorten.
 

Tabel 2. Vergelijking tussen 1990 en 2002, met betrekking tot totaalaantallen van integraal getelde weidevogels in de Mersken, Bouwerspolder, Hege Geasten, Smelle Warren en Dulf. Een verschil vanaf 50% en meer is beschouwd als toe- of afname. Bij toe- of afname zijn waarschijnlijke oorzaken vermeld.

 

Toename

De toename van Krakeend geldt landelijk (Teunissen, SOVON-nieuws 12 (2): 15-18). Winter- en Zomertaling profiteerden van geschikt habitat in structuurrijk grasland met inundatie en open water. Bij Kwartel was waarschijnlijk sprake van een normale aantalschommeling (Cramp & Simmons 1980). De toename van Kemphaan is opvallend: alom neemt de soort af, getuige ook recente Nieuwsbrieven van SOVON-Fryslân. Ook het grotere aantal Watersnippen is verrassend: waarschijnlijk reageert de soort positief op beheerseffecten. De toename van Gele Kwikstaart wijkt af van de landelijke index (Teunissen, SOVON-nieuws 12 (2): 15-18). Kemphaan en Gele Kwikstaart zijn in grasland afhankelijk van extensief beheer en winterinundaties (van Manen 1993). Afname Scholekster en Grutto vertonen een sterke afname (675%). Ook de landelijke trend van beide soorten is negatief (Teunissen, SOVON-nieuws 12 (2): 15-18) en (Teunissen, SOVON-nieuws 13 (3): 14). De afname van Scholekster hangt waarschijnlijk (deels) samen met de achteruitgang van in het Waddengebied overwinterende populaties (Smit, Ens & Koks, SOVON-nieuws 13 (3): 16-17). Voor de forse afname van Grutto is, toegespitst op Van Oordt's Mersken, moeilijk een eenduidige verklaring te geven. Structureel verlies van broedbiotoop, vanwege voortschrijdende bodemverschraling en daarmee samenhangende inkrimping van de bodemfauna is hier waarschijnlijk één van de grootst, bepalende factoren.

 

Aantalsverloop in de Dulf tussen 1997 en 2002


Tabel 3

Tabel 3 toont, met inbegrip van normale fluctuaties, het aantalsverloop van weidevogels in de Dulf tussen 1997 en 2002. Vanaf 1999 vormt de Dulf een BMP-proefvlak in het kader van het Weidevogel Meetnet Friesland. In 1997 is een weidevogelkartering verricht door Ingenieursbureau Oranjewoud (Uilhoorn 1997). Van 1998 zijn geen gegevens aanwezig en 2001 ontbreekt vanwege de mond en klauwzeer. Het aantalsverloop in de Dulf laat in grote trekken hetzelfde beeld zien als in de vergelijking tussen 1990 en 2002, die het hele onderzoeksgebied beslaat. Afgezet tegen 1990 duidt de overwegend positieve tendens bij Wintertaling, Zomertaling, Kwartel, Kwartelkoning, Kemphaan, Watersnip, Wulp, Tureluur, Graspieper en Gele Kwikstaart waarschijnlijk op biotoopverandering door effecten van het verschralende beheer. Deze soorten komen met name voor in nat en structuurrijk, plaatselijk verruigend grasland. Dat het gebied verruigt, illustreren waarschijnlijk de grotere aantallen Watersnip, Wulp en Graspieper in 2002. De afname van Grutto lijkt zich tevens in de Dulf, het voor deze soort meest aantrekkelijke gebiedsdeel, stevig door te zetten.
 

Tabel 3. Aantalsverloop (1997-2002), met inbegrip van normale fluctuaties, van weidevogels in het BMP-proefvlak de Dulf (144 ha), afgezet tegen 1990. De gegevens van 1997 zijn van Ingenieursbureau Oranjewoud. Van 1998 zijn geen gegevens aanwezig en 2001 ontbreekt vanwege mond en klauwzeer in dat jaar.

 

Enkele soorten uitgelicht

Geoorde Fuut, 19 territoria
Gedurende alle bezoeken was de soort in vrijwel gelijke aantallen in de plas van de nieuwe waterbuffer aanwezig. Aanvankelijk zwommen de vogels zonder aanwijsbaar broedgedrag in groepjes rond. Vanaf mei toonde het merendeel zich nerveus en alert. Tal van vogels sleepten met nestmateriaal in de richting van de schaars begroeide eilandjes. Voor de vaststelling van het aantal broedparen is uitgegaan van het grootst aantal, met de kijker getelde, bezette nesten. In juni werden her en der in de plas oudervogels met jongen waargenomen.

 

Roerdomp, 1 territorium
Het voorkomen van de Roerdomp was nogal verrassend, gezien het geringe aanbod van oud en nat riet. Op de vroege ochtend van 7 mei werd de territoriale roep gehoord, nadat eerder al op 19 april een foeragerende vogel was betrapt in een slootje in de Smelle Warren. De vogel vloog op en streek verderop neer in de dekking van overjarig riet en wilgenstruweel.

 

Kemphaan, 3 territoria
Groepjes Kemphanen hielden zich op in geïnundeerd grasland in de Dulf, totdat deze zo goed als droogvielen. Daarna werden mannetjes en vrouwtjes gezien op percelen met plasdras. Gehonoreerde waarnemingen betroffen solitaire hennen in hooiland met nestindicatief gedrag en twee alarmerende vrouwtjes met jongen op 14 juni.

 

Watersnip, 12 territorium
Territoriale 'mekkervluchten' vonden plaats boven de Dulf en Bouwerspolder. Op 7 mei waren hier zes vogels tegelijkertijd actief. Overige waarnemingen betroffen 'kloktikkende' vogels vanaf de grond of paaltjes. Op 23 mei en 14 juni verbleven in Bouwerspolder één en twee paar met jongen. Op 14 juni werd in de Dulf één paar met jongen aangetroffen. In de Dulf gaf de soort voorkeur aan nat en ruig grasland met pitruspollen. In Bouwerspolder had de combinatie van door beweiding vertrapte terreindelen, veel greppels met water en het voorkomen van kwel, waarschijnlijk een gunstig effect.

 

Grutto, 36 territoria
Oostelijk van de A7 kwam de soort amper voor (Mersken 2, Bouwerspolder 3 paar). Ook in Rome, Simmerpolder en Koarte Fennen werd slechts een tiental paren opgemerkt. In de Dulf zat, op en rond beweide en bemeste percelen, nog een kleine populatie (26 paar). Op 23 mei en op 14 juni alarmeerden in de Dulf tien en zes paren met jongen. De ten aanzien van Grutto veelvuldig geopperde predatie als één van de grootste oorzaken voor afnemende populaties en negatief broedsucces, werd af en toe vastgesteld in de vorm van nestplundering door Zwarte Kraaien. Eenmaal greep een Buizerd een gruttojong. Aanwijzingen van predatie door vossen werden door de waarnemer in het onderzoeksgebied nergens opgemerkt.

 

Veldleeuwerik en Graspieper, respectievelijk 71 en 62 territoria
Verspreiding en concentratie van beide soorten vertoonden een vrij grote overeenkomst. Bij de Veldleeuwerik leken verschralende hooilanden favoriet, terwijl de Graspieper de indruk wekte ook op intensiever beheerde percelen uit de voeten te kunnen. Daarbij leek deze soort voorkeur te geven aan gradiëntrijke (sloot- en greppel)randen en licht verruigde terreindelen.

 

Broedvogels en beheer

--------------------------------------------------------------------------------

Noot: Hierna wordt alleen ingegaan graslandvogels. Conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de terreintypen bos en struwelen, rietland en open water met bijbehorende vogelsoorten, staan uitvoerig beschreven in het in de inleiding vermelde SOVON-inventarisatierapport.


--------------------------------------------------------------------------------

Ecologische vogelgroepen
Ecologische vogelgroepen bestaan uit diverse vogelsoorten op grond van overeenkomstig terreingebruik in een gemeenschappelijk broedhabitat (Sierdsema 1995). De verspreiding van vogelgroepen op combinatiekaarten (figuren 4, 5 en 6) laat zien waar in het gebied (de meest) aantrekkelijke biotopen liggen. Hieronder worden vogelgroepen besproken die representatief zijn voor Van Oordt's Mersken. Het betreft soorten van natte tot droge en structuurrijke graslanden met ondiep open water. In het gebied vastgestelde soorten zijn cursief geschreven.

 

Zomertalinggroep; drassig en structuurrijk grasland met open water: (Purperreiger, Ooievaar, Wintertaling, Zomertaling, Slobeend, Kemphaan, Watersnip, Dwergmeeuw, Visdief, Zwarte Stern, Velduil, Gele Kwikstaart) De groep kwam verspreid voor, met enig accent op bovengenoemd graslandtype in de Dulf. Vanaf de Smelle Warren bekeken dunde de groep naar het oosten toe allengs uit.

 

Gruttogroep; vochtig tot drassig grasland:
(Krakeend, Wilde Eend, Kwartelkoning, Grutto, Tureluur, Paapje) De groep kwam geconcentreerd voor in De Dulf en was daarbuiten beduidend minder aanwezig. Het Paapje ontbrak, maar werd in 1999 (2 paar) en in 2000 (1 paar) wel als broedvogel in de Dulf vastgesteld.
 

 

Veldleeuwerikgroep; nat tot droog grasland: (Patrijs, Kwartel, Scholekster, Kievit, Wulp, Veldleeuwerik, Graspieper en Grauwe Gors). De groep was aan weerszijden van de A7 vertegenwoordigd, met de grootste concentraties in de Dulf en Smelle Warren.


 

Evaluatie


Oude brug venebuurt

Conclusies en aanbevelingen ten aanzien van grasland(vogels)

 

Het beheer is gericht op natte en onbemeste, halfnatuurlijke graslanden. Bemesting en beweiding vinden op kleine schaal plaats. Uit de inventarisatie blijkt dat veeleisende, schaarse en zeldzame soorten Wintertaling, Zomertaling, Slobeend, Kwartel, Kwartelkoning, Kemphaan, Watersnip, Wulp, Tureluur en Gele Kwikstaart enigermate lijken te profiteren van het beheer. Meer algemene soorten Kievit, Graspieper en de landelijk dalende Veldleeuwerik (SOVON-Nieuws jaargang 12 (1999) nr.2) handhaven zich behoorlijk. Het beeld van de twee klassieke weidevogels, Grutto en Scholekster, is negatief.

Kievit en Grutto concentreerden zich in het bemeste en beweide gebiedsdeel van de Dulf. Beide soorten hebben in de eifase veel regenwormen nodig (Beintema 1995). In de kuikenfase moeten er voldoende insecten voorradig zijn (Schekkerman et al. 1998). De wormenstand wordt beïnvloed door de zuurgraad van de bodem en het grondwaterpeil. De gewenste zuurgraad (Ph) ligt tussen 5.0 en 7.0 (Wymenga & Alma 1998). De ideale grondwaterstand is 0.20 à 0.40 meter onder het maaiveld (Bund 1998, Beintema et al. 1995). Insecten hebben baat bij een gevarieerde vegetatie, die optreedt bij verschralend beheer met plaatselijke beweiding. Waarom de Kievit zich handhaaft en de Grutto niet is lastig te zeggen. Waarschijnlijk kunnen Kieviten zich veel beter aanpassen aan verandering in voedselaanbod, vegetatiestructuur en dergelijke.

Voor gevoelige, schaarse en zeldzame graslandvogels is voortzetting van extensief beheer met beweiding en plaatselijk periodieke inundaties gewenst. Voor Kievit en Grutto is hierbij, op grotere schaal dan nu, bemesting nodig om de zuurgraad en bodemfauna op peil te houden. De grondwaterstand is in het algemeen goed, maar hierin treden schommelingen op en het peil zakt in het voorjaar weg (Jongeneel 1995). Dit heeft negatieve effecten op de Ph, vegetatie en bodemleven (Altenburg & Wymenga 1987). Inmiddels zijn zuurgraad en wormenstand onder de loep genomen. Vooruitlopend op publicatie deelde Henk Hut van Staasbosbeheer mee, dat globaal samengevat sprake was van weinig wormen en een relatief lage Ph (K 4.5).

Aanbevolen worden maatregelen voor een stabielere, minder verstoringgevoelige waterhuishouding, waarbij verdroging en verstoorde kwel worden tegengegaan. Daarbij is het wenselijk te zorgen voor een goede afwatering via greppels en slootjes, om stagnerend (regen)water en daaruit voortvloeiende verzuring te voorkomen. Een ander knelpunt betreft de mate van openheid (en rust) in het gebied. Voor graslandvogels (zeker voor Grutto) is dit essentieel. Wegen, bos en bebouwing hebben in een straal van 50 tot 150 meter negatief effect (Altenburg & Wymenga 1987, Reijnen et al. 1992). Voor specifiek weidevogelbeheer biedt de Dulf de beste mogelijkheden. Eventueel kunnen hier en daar bomen worden weggehaald, maar dit betekent verlies van nestplaatsen voor andere vogels. De drukke A7 vormt een groot knelpunt. Dit probleem zal enorm versterken wanneer in de toekomst besloten wordt om parallel aan de A7 een nieuw (zweef)treintraject aan te leggen.


Literatuurlijst
Altenburg & Wymenga 1986. Beheersplan voor Van Oordt's Mersken. A&W-rapport 86-5. Altenburg & Wymenga, Veenwouden / Staatbosbeheer regio Friesland-Zuid.
Altenburg W. & P. Wildschut 1987. Natuurwetenschappelijk onderzoek voor de evaluatie van het beheersplan Midden-Opsterland. De eerste beheersperiode 1983-1988: Ontwikkelingen en aanbevelingen. DBL-publicatie nr. 16. DBL, Utrecht.
Altenburg W., Streefkerk J. & Schievink G. 1996. Mogelijkheden voor verdrogingsbestrijding in het natuurreservaat Van Oordt's Mersken (A&W-rapport 130) Altenburg & Wymenga, Veenwouden / Staatsbosbeheer Driebergen, Heerenveen.
Cramp S. & K.E.L. Simmons 1980. The birds of the Western Palearctic, Vol. 2. Oxford Univ. Press, Oxford.
van Dijk A.J. 1996. Broedvogels inventariseren in proefvlakken (Handleiding Broedvogel Monitoring Project). SOVON, Beek-Ubbergen.
Hustings M.F.H., Kwak R.G.M., Opdam P.F.M. & Reijnen M.J.S.M. 1985. Vogelinventarisatie. PUDOC, Wageningen en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels. Zeist.
van Manen W. 1993. Broedvogelinventarisatie van het Sneekermeer in 1993. SOVON-inventarisatierapport 1993/13. SOVON, Beek-Ubbergen.
Osieck E.R. & Hustings F. 1994. Rode lijst van bedreigde soorten en blauwe lijst van belangrijke soorten in Nederland. (Techn. rapport Vogelbescherming Nederland 12) Vogelbescherming, Zeist.
Reijnen M.J.S.M., Veenbaas G. & Foppen R.P.D. 1992. Het voorkomen van het effect van snelverkeer op broedpopulaties. DWW-RWS/IBN-DLO: Delft/wageningen.
Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. Staatsbosbeheerrapport 1995-1, SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheer/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen.
Smit C., Ens B. & Koks B. 2000. Afnemende aantallen Scholeksters in de Waddenzee. SOVON-nieuws 13 (3) 16-17.
Teunissen W. 1999. Weidevogelontwikkelingen. SOVON-nieuws 12 (2) 15-18.
Teunissen W. 2000. Grutto alarm. SOVON-nieuws 13 (3) 14.

 
Klaas Jager / Verschenen in de Geaflecht van maart 2003

« terug naar overzicht artikelen