Broedzorg bij kevers

Inleiding

Bij kevers komt broedzorg niet veel voor. Immers bij deze groep speelt de embryonale ontwikkeling zich, zoals bij alle insecten, buiten het moederlichaam af: uit het ei komen de larven die een wormachtig uiterlijk hebben en meestal in een heel andere omgeving leven dan de ouders en dus geheel ander voedsel eten dat ze zelf zoeken (de volwassen dieren kunnen in planten en bomen klimmen en vliegen en daar hun voedsel halen). Door broedzorg kunnen de larven wel hetzelfde voedsel eten als de ouders.
Weinig bekend is de broedzorg bij de prachtige oranje-zwarte doodgravers van het geslacht Necrophorus. Erna Pukowski heeft dit onderzocht (1933).
In onze omgeving zijn twee soorten algemeen, Necrophorus vespillo en Necrophorus investigator. De eerste soort is veel meer geel behaard dan de tweede en heeft hoekiger oranje dwarsbanden op de dekschilden.

 

Paarvorming

Nadat de larven in de grond verpopt zijn, komen in de nazomer uit de pop de volwassen dieren, de kevers. Deze overwinteren en zoeken in mei een dood lichaam van een klein gewerveld dier op, bijvoorbeeld van een merel of een muis. Als een mannetje dit lichaam het eerst “bezet”, wat meestal het geval is, gaat hij in “staarthouding” staan, met zijn achterlijfspunt omhoog, en laat een geurstof los. Hierop reageren alleen mannetjes en wijfjes van dezelfde soort doodgraver. Ze gaan vechten, de mannetjes met de mannetjes en de wijfjes met de wijfjes.
Het winnende paar dat overblijft graaft de grond rondom het dier weg, zodat het in een kuiltje zakt en gedeeltelijk bedekt raakt met aarde. Tevens kauwen de kevers het rottende vlees tot een bol die in een eveneens gegraven kuiltje rolt. Ze bedekken de bol met een dakje van speeksel, vlees en aarde, zodat ze zich met de bol in een afgesloten ruimte bevinden.

 

Broedzorg


Daarna eet het vrouwtje een holte in de top van de bol, verspreidt hierin haar uitwerpselen, en legt er haar eieren. De larven worden gedurende vijf of zes uur na het uitkomen door hun moeder gevoerd. Hierbij reageren de moeder en de larven op elkaar. Als de moeder de bol nadert, strekken de larven hun lichaampjes in een gelijkmatige beweging en grijpen ze met hun pootjes in de lucht. De moeder staat boven de larven en streelt met haar voorpoten de bol en de larven met trillende bewegingen. Daarna geeft ze hun één voor één een bruine vloeistof uit haar bek. Na enkele uren gaan de larven ook direct van de bol eten, deze verandert in een steeds diepere kom, die ruimte biedt aan de groeiende larven. Ze blijven echter af en toe eten van de moeder ontvangen, en dat zeker na een vervelling; dan zijn ze weer enkele uren volledig afhankelijk van het voedsel van de moeder. Bij Necrophorus germanicus en N. vespillo voert ook de vader de jongen.

 

Onze grootste kever is heel algemeen


In onze provincie is zeer algemeen de Zwarte Waterkever Hydrophilus piceus (fig.1). Hij kan 5 cm groot worden en daarmee is zijn lichaam groter dan dat van het Vliegend hert, wiens lengte mede bepaald wordt door de lange kaken van het mannetje. Hij komt voor in voedselrijke sloten, waar hij zich te goed doet aan waterpest en andere waterplanten. Ook eet hij aas. Hij is hier zo algemeen, dat hij stapelvoedsel kan zijn voor de Blauwe reiger: onder een nest van deze vogel in de pastorietuin te Akkrum vond ik duizenden dekschildjes van deze kever. Tijdens een schaatstocht in de Veenpolders ten noorden van Heerenveen telde ik onder helder ijs over een afstand van 800 meter 65 kevers die omgekeerd onder het ijs zaten en met hun zilveren onderkant blikkerden in de zon.

 

Ademhalingssysteem van een landinsect


Waterkevers zijn secundaire waterdieren, dat wil zeggen dat ze afstammen van landdieren en dat er daarna aanpassingen zijn ontstaan aan het waterleven, ook aanpassingen betreffende de ademhaling. Insecten vervoeren de zuurstof in de lucht door middel van een fijn vertakt systeem van samentrekbare buisjes, de tracheeën (fig.2), die als bij een stofzuigerslang voorzien zijn van ringen, waardoor ze niet dicht kunnen klappen. Is dit systeem beter dan het onze, waar de zuurstof gebonden aan het eiwit hemoglobine in een vloeistof, bloed, wordt getransporteerd, waarbij het hart die vloeistof moet rondpompen? Lucht vervoeren gaat gemakkelijker dan vloeistof. Echter in de lichaamsuiteinden (de voeten, tarsen geheten) stroomt de lucht nog maar langzaam, zodat op latere leeftijd (bij deze kevers na een half jaar) de voetleden de één na de ander beginnen af te vallen. Ook andere insecten verliezen bij het stijgen van de leeftijd en het minder functioneren van het ademhalingstransportsysteem steeds meer van hun poten en sprieten. Waarschijnlijk zijn er meerdere factoren te noemen voor dit verlies. Door dit inefficiënte transportsysteem kunnen insecten nooit zeer grote afmetingen hebben (volgens rekenmodellen): het grootste insect dat ooit geleefd heeft was een glazenmaker in het Carboon (spanwijdte 1 meter).
De buisjes monden uit in het achterlijf. In elk achterlijfssegment bevindt zich links en rechts een ademhalingsopening. Bij insectenlarven, rupsen bijvoorbeeld, kan men deze openingen goed zien aan de zijkant bij de zuigpoten van het lijf. Insecten halen adem door met hun achterlijf te ‘pompen’(lucht in en uit), kijk maar naar het achterlijf van een actieve wesp of dat van een meikever of….van een Zwarte Waterkever voordat hij gaat vliegen.

 

Aanpassingen van het ademhalingssysteem aan het waterleven


De Zwarte Waterkever kan onder water lucht opnemen uit de luchtbel die is gelegen tussen zijn dekschilden en het achterlijf; daarbij blijven de opgevouwen vliezige vleugels, die midden in die luchtbel liggen, droog. Wie wel eens zo’n tor uit het water heeft zien kruipen en al na een halve minuut ‘pompen’ heeft zien wegvliegen, weet hoe belangrijk dit is. Overigens gaan bij oude kevers die lang in het water verblijven, de vleugels soms schimmelen, maar dat is een ander verhaal.
Lucht bevat zo’n 20 % zuurstof. De kever gebruikt hiervan, dus al gauw zakt het zuurstofpercentage in de luchtbel op zijn rug naar, zeg, 18 %. Door diffusie van zuurstof uit het water wordt dit weer aangevuld, de bel werkt dus als een ‘fysische long’. Maar er blijft uiteraard steeds een klein verschil tussen het gebruik (bv. tot 18 % O2) en de aanvulling (bv. evenwicht op 19 % O2) en daardoor wordt de bel langzamerhand kleiner. Oftewel: de kever moet naar boven om een nieuwe bel te halen (in water van 20o C na een half uur). Dit is een kwetsbaar moment voor de kever, want hij moet omhoog komen uit zijn beschermende waterplanten en aan de kant staat de Reiger rustig te wachten op dit moment…..
Boven gekomen steekt de kever een spriet boven het water uit (fig.3). Door de waterafstotende eigenschappen van de spriet ontstaat een luchtkanaaltje langs de spriet, en als de kever met zijn achterlijf gaat pompen, zie je de lucht als een zilverdraad langs zijn keel naar de buik stromen. Deze lucht gaat ook naar de rug. De kever heeft op de buik hele fijne haartjes met waterafstotende eigenschappen, zodat ook hier een luchtreservoir ontstaat. Daardoor ziet de hele onderkant van de kever er onder water of ondersteboven onder het ijs uit als blinkend zilver. Deze haartjes zijn ‘extra’, andere waterkeverfamilies hebben ze niet. Door dit tweede luchtreservoir kan de Zwarte Waterkever ook leven in enigszins vervuilde sloten en poelen met minder zuurstof. Hoe belangrijk de haartjes zijn, blijkt als je de kever beetpakt op die haartjes en ze platdrukt c.q. beschadigt met je vingers: de kever moet dan steeds heel snel naar boven voor nieuwe lucht en gaat spoedig dood.
Je moet onderscheid maken tussen de zuurstofspanning in het water (die is 20 %), in evenwicht met de lucht, en het zuurstofgehalte: doordat water veel dichter is dan lucht, bevat het minder lucht, dus zuurstof. Dit hangt wel samen met de temperatuur: koud water bevat meer zuurstof dan warm. Daarom moet je je aquarium met de kever niet op de schoorsteen of in de zon zetten, dan moet de kever veel te vaak naar boven voor een nieuwe bel en wordt hij vroeg oud. Uiteraard bevat water van 1o C de meeste zuurstof en daardoor kan de kever, mede doordat hij bij deze temperatuur zelf weinig O2 gebruikt, weken lang onder het ijs verblijven zonder zijn bel te hoeven verversen.

 

De paring


In het voorjaar maken de kevers een krakend geluid: door het achterlijf te bewegen schuiven de ribbels ervan over de daarboven opgevouwen liggende vleugels. Dit ‘krakende’ geluid wordt door het water goed voortgeplant en daardoor vinden de seksen elkaar. Bij de paring houdt het mannetje, dat bovenop zit, het wijfje met zijn zuignappen vast aan het halsschild (fig.4), zodat zij niet kan ontsnappen. Tijdens de paring kunnen beide kevers omhoog gaan in verticale stand om hun luchtbellen te verversen.

 

De broedzorg


Na de paring spint het wijfje met haar spinklieren aan het eind van het achterlijf een eiernestje (fig.1). Hiervoor gebruikt ze haar eigen lichaam als mal. Eerst wordt de buikzijde van het achterlijf besponnen, terwijl de kever zich op rug liggend aan de planten vasthoudt, daarna neemt de kever het spinsel op de rug en spint op dezelfde wijze de andere helft van het nestje. De ca. 50 eieren worden gelegd, het nestje wordt gesloten en tenslotte wordt er een ‘schoorsteen’ van bruin materiaal aan gemaakt. Op deze manier krijgen de eieren voldoende zuurstof, zijn ze beschermd tegen het water maar drogen toch niet uit en kunnen predatoren er niet bij.
Na enkele dagen zonneschijn (warmte!) komen de eieren uit en produceren de larven (fig.5) een enzym waardoor het spinsel oplost. Ze eten in
het begin vooral kikker- en paddevisjes, maar als ze 10 cm groot zijn,
eten ze vooral waterslakken, waarvan ze eerst het huis met hun krachtige kaken kapot maken. Aan het eind van de zomer verpoppen ze. In het volgende voorjaar kruipt de kever uit de pop.

 

Bescherming tegen predatoren

Door zijn kleur valt de kever niet op in een donkere veensloot. Zijn voornaamste vijand is de Blauwe Reiger, die ik menige kever heb zien opslokken. Soms spuugt de vogel de kever gedeeltelijk weer uit, dit komt doordat de buikstekel, die naar achteren gericht is, in de keel blijft steken. Hij gooit de kever dan weer omhoog en draait hem om, zodat hij met de kop naar beneden in de keel glijdt. Doordat de kever met zijn poten afwisselend zwemt, ongeveer zoals een zoogdier loopt (dit in tegenstelling tot de geelgerande waterroofkevers die alleen de achterpoten gebruiken met lange slagen), kan hij zich niet erg snel uit de voeten maken. Je kunt hem dan ook gemakkelijk vangen met een net, als je hem ziet zwemmen.

 

Verspreiding

De kever kan gemakkelijk nieuwe sloten koloniseren, hij vliegt goed. Hierbij laat hij zich, net als andere waterkevers, boven een wateroppervlak met gesloten dekschilden in het water vallen. Helaas komt het ook voor dat dit gebeurt boven glazen oppervlakken. Daardoor zijn de kevers bijvoorbeeld in de kassengebieden in het Westland benadeeld. Bij mij viel er eens één op een glazen tafel, daarbij was een wond ontstaan aan de rand van het halsschild. In het water groeiden in deze wond ééncelligen, o.a. klokdiertjes, en zeer waarschijnlijk bacteriën en hierdoor is de kever spoedig gestorven.
Ook de larve kan zich goed naar nieuwe sloten verspreiden, hij loopt gemakkelijk flinke stukken over het land. Regelmatig treft men doodgereden exemplaren op de weg aan.

 

Drie soorten

Er zijn twee soorten Grote Pikzwarte Spinnende Waterkevers, Hydrophilus piceus en Hydrophilus aterrimus. Van de laatste zijn drie vondsten gedaan in Nederland, de laatste in 1926.
De Kleine Pikzwarte Spinnende Waterkever, Hydrochara caraboides, is 13 – 18,5 mm groot en algemeen in de Friese sloten.

 
Rolf Tienstra / Verschenen in de Geaflecht van maart 2010

« terug naar overzicht artikelen