De Adder

Verspreid over Europa, Azië en Afrika komen ongeveer 43 soorten adders voor die zeer nauw verwant zijn aan de Aziatische en Amerikaanse groefkopadders, waartoe ook ratelslangen behoren. Alle adders bezitten een karakteristiek gifapparaat dat beter ontwikkeld is dan dat van de meeste andere slangen.
Het geslacht Vipera omvat in Europa 7 soorten, waaronder onze eigen adder (Vipera berus). De meeste adders brengen levende jongen voort (ovovivipaar) en daardoor heeft onze adder een zeer groot verspreidingsgebied dat vrijwel de gehele gematigde zone omvat (globaal gelegen tussen de 70o en 42o N.Br.).

 

Uiterlijke kenmerken


Adder

De adder heeft vergeleken met onze andere twee inheemse slangen, de ringslang en de gladde slang, een betrekkelijk gedrongen lichaamsbouw en een korte staart. De naar achteren verbrede kop is duidelijk van de romp gescheiden. Boven op de kop is vaak een donkere V-, Y-, of een X-vormige figuur te onderscheiden. In tegenstelling tot de beide andere slangen is de pupil van de adder niet rond, maar verticaal.
De grondkleur kan erg variabel zijn en verschilt voor beide geslachten. De mannetjes zijn levendiger getekend met een gitzwarte zigzagstreep op een ondergrond van vuilgeel, crème, grijsachtig, olijfkleurig of turquoise, terwijl de vrouwtjes meer bruinachtig van kleur zijn met een bruine en vaak minder duidelijke zigzagstreep. Bij beide geslachten kunnen overigens andere kleurvariëteiten voorkomen zoals zwarte (melanistische) dieren waarbij de zigzagstreep zeer vaag is of zelfs geheel ontbreekt.
Vrouwtjes worden ongeveer 70 cm lang, mannetjes 65 cm.

 

Verspreiding

In Nederland komt de adder voor in zuidoostelijk Friesland, Drenthe, noordoostelijk Utrecht, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg.
In ons land komen adders vooral voor in vochtige heidevegetaties met pijpestrovelden en vennen op veen- en zandgronden en in eikenhakhout of ruigtebosjes langs bosranden

 

Gedrag


Adder

Vroeg in het voorjaar, op zonnige dagen rond eind februari begin maart, komt de adder door een combinatie van de hormonencyclus (inwendige klok) en het weer (temperatuur) uit de winterslaap. Het eerst komen de mannetjes te voorschijn. Enkele weken later verschijnen ook de vrouwtjes en de jongere dieren.
Zodra ze de kans hebben, liggen de mannetjes in de onmiddellijke nabijheid van hun overwinteringsplek in de vroege voorjaarszon. Dit noodzakelijk opwarmen bevordert de vorming van rijpe zaadcellen.
Nadat de mannetjes rond de derde en vierde week van april hun eerste vervelling achter de rug hebben, gaan ze op zoek naar een partner. Hierbij leggen ze soms grote afstanden af bij het volgen van de geursporen die door de vrouwtjes door middel van hun anaalklieren in de vegetatie worden achtergelaten. Natuurlijk komt het voor dat twee mannetjes elkaars weg kruisen in de nabijheid van een vrouwtje. In dat geval proberen de mannetjes door imponeergedrag elkaar te verdrijven. Vaak uit zich dat in een schijngevecht, de zogenaamde 'rivaliteitsdans'. Terwijl ze hun achterlichamen om elkaar heen strengelen, proberen ze met opgericht bovenlichaam elkaar naar de grond te duwen. Hierbij wordt de tegenstander noch gebeten noch op andere wijze verwond. De verliezer zoekt tenslotte het hazenpad en de overwinnaar mag met het vrouwtje copuleren. De paring kan enkele uren duren, maar wordt, evenals de genoemde rivaliteitsdans, zelden in de natuur waargenomen. Paringen vinden plaats in april en begin mei. Hierna gaan de dieren uit elkaar en brengen de rest van het jaar solitair door.
Naarmate de zomer vordert en het warmer wordt, verschuift de tijd dat de adders zonnend doorbrengen. In de zomermaanden zijn ze 's ochtends vroeg en in de namiddag vaak op exact dezelfde plek waar te nemen. Het zijn nu overwegend zwangere vrouwtjes die worden gezien. Voor een voorspoedige ontwikkeling van de embryo's is veel warmte nodig. Als het echt te warm wordt houden ook de vrouwtjes het voor gezien en verschuilen ze zich tussen en onder de vegetatie.
De adder is niet zo waterminnend als vaak wordt vermoed. Bij een temperatuur rond de 23 oC heeft men de meeste kans de dieren te vinden.

 

Jongen


Adder

In augustus of september baart het vrouwtje meestal 7 tot 14 jongen met een lengte van gemiddeld 15 cm en een gewicht van ongeveer 5 gram. Als de jongen het moederlichaam verlaten zijn zij omgeven door een vlies dat direct na de geboorte breekt.
De jonge adders zijn perfecte miniaturen van hun ouders. Ze zijn reeds geheel zelfstandig en vergis u niet, zelfs hun gif is even werkzaam als die van hun ouders, de hoeveelheid echter geringer.
De sterfte onder de jonge dieren is aanzienlijk hoger dan bij de volwassen dieren. Men denkt dat er nogal wat diertjes de dood vinden bij het zoeken naar een geschikte overwinteringsplek die vaak honderden meters van de zomerverblijven vandaan liggen. De jonge mannetjes worden in hun derde levensjaar bij een lengte van 35-45 cm geslachtsrijp. Vrouwtjes doen er een jaar langer over en zijn dan 40-50 cm lang.
Zowel jonge als volwassen dieren zoeken eind september/begin oktober hun overwinteringplek op om daar in de grond te verdwijnen als de temperatuur te ver gaat dalen.

 

Voedsel

Het lijkt erop dat volwassen adders geen grote eters zijn. Het is niet duidelijk of de adder actief op jacht gaat of dat hij een afwachtende houding aanneemt. De prooi bestaat voor het grootste gedeelte uit zoogdieren, maar er zijn ook resten van vogels, reptielen, amfibieën, wormen en insekten in hun ontlasting aangetroffen. In uitwerpselen van zeer jonge addertjes werden bij een Belgisch onderzoek alleen resten van de levendbarende hagedis aangetroffen, andere onderzoeken vermelden ook krekels, sprinkhanen, rupsen en jonge kikkertjes.
Door hetzelfde Belgische onderzoek is vastgesteld dat de vrouwelijke adder om het jaar paart. Dit gebeurt vermoedelijk omdat een zwanger dier tijdens de dracht niet eet. Pas in het najaar, na het werpen van de jongen, nemen de dieren weer voedsel tot zich. De tijd voor de winterslaap is te kort om nog genoeg reservevoedsel op te slaan. Elk jaar zwanger zijn zou dan ook een te grote belasting voor het dier zijn.
De prooi wordt gedood met de giftanden. Hoewel de slachtoffers meestal nog enkele meters kunnen ontkomen, sterven ze vaak binnen een minuut aan de gevolgen. De adder hoeft slechts het reukspoor te volgen om de prooi terug te vinden.
Aangezien slangen niet in staat zijn te kauwen, wordt de prooi in zijn geheel doorgeslikt. Het gifapparaat (de gifklieren zijn in feite speekselklieren die een enzym bevatten die voor het verteren van de prooi voor de slang onmisbaar zijn) heeft dus in de eerste plaats de functie om een prooi te verlammen of te doden en in de tweede plaats een defensieve betekenis.

 

Vijanden


Adder

De adder heeft tal van vijanden. Zeer bekend is de egel als aartsvijand. Maar vermoedelijk wordt de rol van de egel als adderverdelger echter overdreven. Vaker worden adders het slachtoffer van zoogdieren als wilde zwijnen, dassen, eikelmuizen, bunzingen, katten en honden. Ook worden ze vaak slachtoffer van roofvogels, kraaiachtigen en hoenderachtigen als fazanten. Ook loslopende kippen vormen een bedreiging. Jonge adders worden bovendien nog belaagd door reptielen en zelfs grotere amfibieën.
Maar alleen de mens is in staat gehele adderpopulaties uit te roeien zoals dat in vroeger jaren bijna in de omgeving van Oudehaske gebeurde. De bewoners van het ambonezenkamp bij 'Witepeal', gelegen tussen Rotsterhaule en Ouwsterhaule maakten intensief jacht op de adder en bereidden er de smakelijkste gerechten van.
Nog steeds vormt de mens de grootste bedreiging voor dit dier. Door vegetatievernietiging, het isoleren van natuurgebieden waardoor geen uitwisseling mogelijk is, het scheiden van zomer- en wintergebieden door aanleg van wegen, het niet aanlijnen van honden, de steeds groter wordende recreatiedruk en het nog steeds doodslaan van alles wat op een slang lijkt, zorgen er voor dat onze adder nog steeds onder de bedreigde dieren valt.

 
Jelle Hofstra / Verschenen in de Geaflecht van december 1999

« terug naar overzicht artikelen