De steenuil in Friesland sterk bedreigd

De officiële naam voor de Steenuil (Athena noctua) in het fries is Stienûltsje, omdat de uil vaak op een muur van een oud gebouw werd aangetroffen. Daarnaast zijn er nog een aantal namen in gebruik: Waerûle (in het noorden en westen van de provincie), Lytse ûle, Stienoele (in de Stellingwerven) en Stienuultsje (in de steden).

 

Kenmerken


Steenuil

De Steenuil is de kleinste onder onze uilen. Hij is herkenbaar aan de geringe grootte (22 cm) en de plompe gestalte. De helder citroengele ogen met de donkere pupil en de afgeplatte kop geven hem een fel en streng uiterlijk. Het verenkleed is van boven bruin met op de kop enkele witte vlekken. De onderzijde is licht gekleurd met donkere vlekken. De staart is bruin en heeft een aantal witte dwarsbanden. De vleugelspanwijdte bedraagt 55-60 cm. Het gewicht van het mannetje is gemiddeld 180 gram en van het wijfje 200 gram. De Steenuil is veel minder nachtvogel dan andere uilen. Overdag zit hij vaak te zonnen en tegen de avond, wanneer het nog licht is, gaat hij al op jacht. Wanneer de uil opgewonden raakt, laat hij een blaffend "kjè - kjè - kjè - kjè " horen.

 

Leefgebied

De Steenuil is een vogel van het halfopen agrarische landschap met houtwallen en een korte vegetatie. Ook parkachtige landschappen en oude hoogstamvruchtbomen zijn erg geschikt voor de Steenuil. Maar ook bij boerderijen, aan de rand van dorpen en langs landwegen kan hij voorkomen, als er maar rustige hoekjes zijn, zoals oude schuren en holle bomen. In Fryslân broedde de Steenuil ook in de uitgestrekte akker- en weidegebieden in het noorden en westen, waar plaatselijk kleinschalige elementen rond de broedplaats voorkwamen. Het territorium van de Steenuil is meestal klein. Het jachtgebied kan sterk variëren in grootte (2-100 ha) en is afhankelijk van het voedselaanbod en de aanwezigheid van een geschikte nestplaats.

 

Voedsel en jachtwijze

De Steenuil jaagt grotendeels in de schemering en 's nachts. Zomers, vooral tijdens de broedperiode, wordt overdag ook gejaagd. De jaagmethode hangt af van het soort biotoop. Op plaatsen waar de vegetatie kort is, wordt lopend, huppend en soms rennend gejaagd op insecten en wormen. Veelal jaagt de Steenuil vanaf vaste uitkijkposten, zoals paaltjes en overhangende takken. Af en toe wordt in lage vlucht, zwevend of biddend gejaagd. De Steenuil is een voedselopportunist: hij heeft een breed voedselpakket en kan zich goed aanpassen aan de locale voedselsituatie. Op het menu staan kleine zoogdieren (vooral Veldmuis), vogels, amfibieën, reptielen, insecten, wormen, slakken en zelfs aas. Regenwormen en insecten vormen met 75% het hoogste aandeel van het voedsel van de Steenuil. In de winter worden vooral muizen gevangen. De braakballen van de Steenuil zijn smal (32 x 13 mm) en bevatten onverteerbare voedselresten.

 

Broedbiologie

Tegen het einde van het eerste levensjaar is de Steenuil geslachtsrijp. Ze gaan dan op zoek naar een geschikt territorium en een partner. De balts is te horen vanaf eind januari tot de tijd dat het eerste ei is gelegd (april). Het mannetje laat zich dan horen vanaf een vaste uitkijkpost. Met tussenpozen van een aantal seconden klinkt dan een langgerekt "kuuup". Steenuilen zijn wat betreft de keuze van nestplaatsen niet kieskeurig. Als holenbroeder maken ze gebruik van zowel natuurlijke als kunstmatige nestplaatsen. Als natuurlijke nestplaatsen worden boomholten van knotbomen, oude loofbomen (vooral eik) en hoogstamfruitbomen gebruikt. Het aantal geschikte boomholten in Fryslân is schaars. Gebouwen (meest boerderijen), schuurtjes en hokken bieden een goede nestgelegenheid aan de Steenuil. Bij gebrek aan natuurlijke nestplaatsen kunnen nestkasten een goed alternatief zijn. In april of mei worden gewoonlijk 3-5 eieren gelegd. Gedurende de broedtijd van 24-28 dagen wordt het wijfje meestal door het mannetje van voedsel voorzien. Pas uitgekomen jongen zijn bedekt met een kort, wit donskleed en wegen slechts 12 gram.. Met drie weken bedekt een tweede donskleed het hele lichaam, uitgezonderd de buik, die kaal blijft. Als ze 12 dagen oud zijn lopen de jongen al korte afstanden. Op zijn vroegst verlaten de jonge Steenuilen regelmatig de nestplaats als ze 22-24 dagen oud zijn. Na 40 dagen verlaten ze voorgoed het nest, terwijl ze nog niet vliegvlug zijn. Na een week kunnen ze vliegen en worden nog gedurende 5 weken door de ouders van voedsel voorzien. Ongeveer 70% van de jongen vestigt zich op minder dan 10 km afstand van hun geboorteplaats.

 

Aantalsontwikkeling in Frysl‚n


Broedplaatsen van de steenuil in 2000

Na de strenge winters van 1939-1942 en 1962-1963 was de Steenuil in Fryslân vrijwel verdwenen. Daarna volgde een licht herstel, maar de hoge dichtheden van het begin van de eeuw werden niet meer gehaald. In 1967 stelde het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek (Rivon) een onderzoek in naar het voorkomen van de Steenuil in Nederland. In die tijd verzamelde "Fûgeltsje Bosch" (G.Bosch, Leeuwarden) voor Fryslânde broedgegevens: "Alleen in het noorden van de provincie, bij Stiens, Dokkum, Minnertsga, Westhoek, St.Annaparochie, Marssum, Hallum, Franeker, Holwerd, enz. zijn ze nog. Maar zuidelijk komen ze plaatselijk niet meer voor of ziet men ze zelden meer" (Archief Natuurmuseum Leeuwarden). In 1971 kwam de Stichting Avifauna van Friesland tot stand uit een gezamenlijk initiatief van de BFVW en Biologysk Wûrkferbân van de Fryske Akademy. Alle verzamelde gegevens van vele vogelaars (250) in Fryslân werden gebundeld en voor het eerste verscheen een verspreidingskaartje van de Steenuil voor de periode 1972 t/m 1975. In het noorden (kleigebied) en oosten (Friese Wouden) ontstonden duidelijk "gaten" in het verspreidingspatroon. Het gebied rond Harlingen was het kerngebied van de Steenuil. Voor het Atlasproject, in de jaren 1968-1971, was de dichtheid in dat gebied nog hoger. Zo broedden er rond Sexbierum 5 paar, bij Pietersbierum 3 paar en in Harlingen 1 paar. In de hoek Harlingen-Kimswerd-Pingjum-Zurich kwamen 6 paar voor (med. Piet de Bruin, Harlingen). Jan de Jong (Joure) meldde in 1982 broedgevallen uit het zuiden van de provincie: Boyl en Steggerda en omgeving (5 paar). In de negentiger jaren schommelde het aantal broedparen van de Steenuil tussen de 10 en 20 paar.

 

Achteruitgang en bedreiging

Bij de Steenuil lijkt zich dezelfde teruggang in talrijkheid te voltrekken als eerder bij de Kerkuil heeft plaatsgevonden. De oorzaken zijn echter complex. In de loop van de twintigste eeuw zijn door intensivering van de landbouw veel kleinschalige agrarische cultuurlandschappen aangetast of verdwenen. Het gevolg was een verlies van veel geschikte broedlocaties en een verarming van de prooidieren. Samen met een aantal andere bedreigingen, zoals het verdwijnen van geschikte nestplaatsen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het verkeer, zijn de leefomstandigheden voor de Steenuil verslechterd. Door de sterke achteruitgang en het geringe aantal broedparen zijn er nog slechts een paar "versnipperde" rest-populaties overgebleven. De toegenomen afstand tussen deze populaties is nadelig voor de voortplantingsmogelijkheden met soortgenoten. De nog overgebleven Steenuilen verkeren in een weinig rooskleurige situatie.

 

Beschermingsmaatregelen

Als de achteruitgang van de Steenuil zich in het huidige tempo voortzet, zal de uil spoedig uit het Friese cultuurlandschap zijn verdwenen. De steenuil kan nog gered worden, maar de tijd dringt! Hier volgen enkele gerichte beschermingsmogelijkheden voor de Steenuil.

  • Verbetering van de voedselsituatie
    De Steenuil zal zich in Fryslân kunnen handhaven als zijn leefgebied behouden blijft, maar vooral verbeterd wordt door o.a. kleinschalige ingrepen. In ons cultuurlandschap vormen lintvormige structuren een belangrijk voedselterrein voor de Steenuil: houtwallen, houtsingels, heggen, bosranden, onbegraasde randen van weilanden en kruidachtige akkerranden. Maar ook overhoekjes, extensief beheerde, ruige grazige terreinen en graanakkertjes zijn goede biotopen voor de prooidieren van de Steenuil.
  • Verbetering van de nestgelegenheid
    Het behoud van nestgelegenheid in gebouwen, zoals schuren, schuurtjes en woonhuizen is van groot belang. Het plaatsen van nestkasten is zinvol op die plekken waar nestgelegenheid ontbreekt.Van oudsher is de Steenuil een broedvogel van holle bomen, vooral hoogstamvruchtbomen en knotbomen. Dankzij subsidie van de Provincie kan de WKF een groot aantal kasten laten maken.
  • Gebiedsgerichte bescherming
    We hebben in Fryslân te maken met een sterk versnipperde populatie Steenuilen, bestaande uit slechts enkele broedparen. Hoogste prioriteit geeft de Werkgroep aan een ruime inzet van maatregelen in die gebieden, waar de restpopulaties voorkomen. In eerste instantie moet de Steenuil zich in deze gebieden uitbreiden:
 

Gebiedsgerichte bescherming starten met het plaatsen van nestkasten in de aangegeven gebieden
  • West-Fryslân: twee populaties ten noorden en ten zuiden van Harlingen
  1. Gebied Harlingen-Oudebildtzijl-Stiens-Dongjum-Harlingen
  2. Gebied Oosterlittens-Scharnegoutum-Parrega-Zurich-Arum-Oosterlittens
  • Zuid-Fryslân: een zeer kleine populatie rond St.Nicolaasga.
  • Zuid-Oost-Fryslân: in het ROM-gebied.
  • Noord-Oost-Friesland: een kleine populatie rond het Lauwersmeergebied.

De locale werkgroepen zullen worden ingeschakeld voor het plaatsen van nestkasten in de genoemde gebieden.

 

Tenslotte

In de zomer van 2002 is het Plan van Aanpak voor de Steenuil uitkomen. Dit plan geeft een overzicht van aantal maatregelen, die moeten leiden tot een herstel van de Steenuilpopulatie in Friesland. De Werkgroep Kerkuilen Friesland zal zich inzetten voor de bescherming van de Steenuil. Alle krachten moeten in Fryslân gebundeld worden: samen met overheidsinstanties, vogelwachten, vrijwilligers en agrariërs zullen we proberen de Steenuil voor onze provincie veilig te stellen. Waarnemingen van Steenuilen wil ik graag ontvangen.

 

Johan de Jong
Lipomwyk 2
9247 CH Ureterp
0512-303174
E-mail:

 
Johan de Jong / Verschenen in de Geaflecht van maart 2003

« terug naar overzicht artikelen