De Watervlo

Watervlooien en bladluizen

Watervlooien hebben net als bladluizen de eigenschap om in heel korte tijd tot onwaarschijnlijk grote aantallen toe te kunnen nemen. Voor de duidelijkheid, watervlooien hebben niks uit te staan met 'echte' vlooien. Dat geldt ook voor bladluizen en 'echte' luizen. Wel kunnen ze zich allemaal heel snel voortplanten wat soms knap lastig kan zijn.

 

Voortplanting zonder mannetjes

Watervlooien en bladluizen kunnen eieren ontwikkelen, zonder dat er een mannetje aan te pas komt. Zij zijn met recht 'baas in eigen buik'. Bij de gewone watervlo is het aantal vrouwtjes dan ook veel groter dan het aantal mannetjes. In de eierstokken van de wijfjes ontstaan uit de zogenaamde moedercellen telkens vier eicellen. Slechts één daarvan krijgt een dooiermassa; bovendien zuigt hij de drie andere eieren uit, die dus slechts als voeding dienst doen. Dat ene ei komt door een nauw kanaal terecht in een holte aan de rugzijde van de watervlo, de broedholte.
In die holte vinden we vaak eieren van verschillende ouderdom. Uit zo'n ei ontwikkelt zich in de zomer een volledige jonge watervlo, die de broedholte aan de achterzijde verlaat.

 

Voortplanting met mannetjes


Zolang de milieuomstandigheden gunstig zijn gaat de ontwikkeling op deze wijze door (dus zonder dat er bevruchting van de eieren plaatsvindt). Worden de omstandigheden slechter, zoals dat in het najaar meestal het geval is, dan ontwikkelen zich veel grotere eieren waaraan wel een mannetje te pas gekomen is.
Uit een deel van het rugschild van het wijfje ontwikkelt zich nu een verdikking, die de eieren omgeeft. Bij de eerstvolgende vervelling scheurt dat omhulsel los van de oude huid. De vorm lijkt een beetje op een zadel.
Dank zij dit zadel kunnen de wintereieren van verschillende soorten vlooien drijven. Zij raken daardoor gemakkelijk tussen de veren van watervogels of van vogels die zich komen baden of komen drinken. Ongewild worden zij de transporteurs voor de eieren, die nu de kans krijgen in ander water terecht te komen. Zelfs bij uitdrogen van de sloot, zal de wind de eieren naar andere (gunstiger) plaatsen brengen en de soort tegen uitsterven behoeden. De weg via de watervogels is wel zekerder dan door de wind.
Bij slechte omstandigheden in de zomer (voedseltekort, uitdroging) ontstaan er ook 'wintereieren', die evenals in de winter, een ruststadium moeten doormaken vóór zij zich gaan ontwikkelen. In de zomer varieert die rustpauze van enkele dagen tot enkele weken, en soms zelfs nog langer.

 

Verschil tussen mannetjes en wijfjes

De mannetjes van de watervlooien zijn veel kleiner dan de wijfjes. Dat hangt vooral samen met het ontbreken van de broedruimte, die bij het wijfje een niet onaanzienlijk deel van haar lichaamsvolume uitmaakt.
Het mannetje heeft beter ontwikkelde antennen (voelsprieten) dan het wijfje Watervlooien bezitten twee paar van deze nuttige instrumenten. Het tweede paar wordt gebruikt om te zwemmen en het veel kleinere eerste paar dient waarschijnlijk voor het waarnemen van geur of smaakstoffen. De betere ontwikkeling van deze eerste antennen bij de mannetjes zal dus wel samenhangen met het opmerken van de wijfjes.
Als de kou eenmaal doorzet zijn er bijna geen watervlooien meer te vinden. De 'zwarte stippen' die u straks weer in.de lijfjes ziet, geven ons hoop dat er volgend voorjaar weer volop watervlooien zullen zijn.

 
Verschenen in de Geaflecht van september 1982

« terug naar overzicht artikelen