Dennescheerder

Sinds de 19e eeuw zijn er op grote schaal dennen aangeplant in Nederland. Voornamelijk op de arme zandgronden die voor akkerbouw en veeteelt onbruikbaar waren (geworden) zoals heidevelden en stuifzanden.
Met die aangeplante dennen gaat het niet altijd goed wat u tijdens een boswandeling zelf kunt ontdekken. Juist op een herfstwandeling kunt u dat goed zien.

 

Langloten en kortloten

Het begint al in de vroege herfst met het bruin worden van de naalden aan het einde van de takken. Dennen ruien normaal hun naalden zo om de drie of vier jaren, maar met dat verschijnsel kunnen we hier niet te maken hebben, omdat de bruinwordende naalden de jongste zijn. U kunt dat gemakkelijk zelf nagaan. Aan het einde van iedere dennentak zit een knop en als die knop het volgende voorjaar uitloopt, verlengt hij de tak, zodat het bovenste stuk van iedere tak het jongste is. We noemen zo'n stukje tak, dat uit een eindknop groeit, een langlot: de naalden zitten eigenlijk aan zijtakjes, die zo klein zijn, dat we ze haast niet als takje kunnen zien. Die heel korte zijtakjes noemen we kortloten. Op ieder kortlot zitten twee naalden, die door een vliesje bij elkaar gehouden worden.
Onder normale omstandigheden gaan die naalden dus drie jaar mee. De naalden, waarop in het begin al gewezen werd, worden echter in het eerste najaar al bruin. Daar blijft het echter niet bij; de hele top van het takje verpietert en valt in het najaar af. De storm in de tweede helft van oktober heeft dit proces sterk verhaast en u vindt overal onder de dennen de stukjes tak met bruine naalden. Raapt u zo'n takje eens op en probeer het met een scherp zakmesje zuiver door het midden in de lengte in tweeën te delen. U zult dan merken, dat het hele takje hol is doordat alle merg uitgevreten is..... Misschien heeft u geluk en treft u in de holte van de tak de boosdoener zelf ook nog aan.

 

De boosdoener


Dennescheerder

Het is een donkerbruin, haast zwart, kevertje, dat nog geen halve centimeter groot is. Als u het kevertje zelf niet kunt ontdekken, ziet u, als u goed kijkt, twee kleine gaatjes; onderaan het gaatje, waardoor de kever het takje binnenkwam en bovenaan, vaak vlak onder de verdroogde eindknop, het gaatje waardoor hij naar buiten kroop.
De bast van de dennen is ruw en de kevers, die uit de takjes kruipen, zoeken meestal een beschut plekje onder de schors om daar te overwinteren. Al vroeg, in maart, komen ze weer tevoorschijn en dan heeft de paring plaats. De bevruchte wijfjes boren zich door de dennenschors heen tot op het spint, het jongste hout, en hier gaan ze, hoofdzakelijk in de bast, een lange overal even wijde gang evenwijdig aan de oppervlakte eten. In de kleine nisjes aan de zijkanten van de gang zet het wijfje haar eieren af.
Uit ieder ei komt een larve, die een gang gaat vreten loodrecht op de moedergang. Al etend groeit de larve en de gang zal dus wijder worden naarmate hij verder van de moedergang verwijderd is. Aan het einde krijgt de larvegang nog een extra verwijding, de poppewieg, waarin de larve in een pop verandert. Het is dan ondertussen eind mei of begin juni geworden, maar voor het juli is, is de pop al uitgekomen en heeft de jonge kever zich langs de kortste weg een gang naar buiten gevreten. Daar aangekomen zoekt hij de toppen van de takken op om te vreten aan het merg van de jongste loten. Er staan in het bos heel wat dode dennen, waarvan de schors doorzeefd is met gaatjes, die de moeder- en kinderkevers maakten en als u zo'n stuk schors lospeutert kunt u daarin ook het gangensysteem zien.

 
Verschenen in de Geaflecht van september 1987

« terug naar overzicht artikelen