Eierleggend of levendbarend


Ringslang met eieren

Vindt u dat ook zo'n merkwaardige zaak? Dat twee soorten reptielen naast elkaar in hetzelfde gebied kunnen leven, onder precies dezelfde omstandigheden en dat de ene soort levende jongen baart om zich voort te planten, terwijl de andere eieren leggen. Een mooi voorbeeld zijn onze slangen. Zo werpt onze Adder levende jongen (viviparie) en de Ringslang die in hetzelfde gebied voor kan komen is eierleggend (oviparie) en moet vaak grote afstanden af leggen om een geschikte eilegplaats te vinden. En niet alleen voor onze slangen gaat dit fenomeen op. Ook bij onze hagedissen. Zoals de naam al aangeeft krijgt de Levendbarende Hagedis levende jongen, maar de Zandhagedis daarentegen, die hetzelfde terrein met hem kan delen moet steeds op zoek naar een open, zandige plek om daar de eieren in af te zetten. Nog ingewikkelder wordt het als blijkt dat de Levendbarende Hagedis in zuidelijke landen als Frankrijk en Spanje geen levende jongen baart, maar keurig eitjes legt. Ook met de Gladde Slang is dat het geval. Bij ons krijgt dit dier levende jongen, maar de nauw verwante Zuidelijke Gladde Slang legt eieren. Toch kunnen ook hier de leefgebieden elkaar overlappen.

 

Voor- en nadelen

Een van de grote voordelen van levendbarend zijn is dat deze dieren ook koudegebieden hebben weten te koloniseren. Zo strekt het areaal van onze Adder en Levendbarende Hagedis zich dan ook uit tot aan de poolcirkel. De bodem is in de noordelijke streken voor deze soorten vermoedelijk te koud om er eieren in uit te laten komen. Levendbarend zijn heeft dan ook als grote voordeel dat de embryo's in het moederlichaam veel warmer kunnen worden gehouden omdat de moeder zich kan zonnen op een beschut plekje. Eierleggende dieren moeten steeds op zoek naar een geschikte eilegplaats, waar de grillige natuur dan moet zorgen voor een verdere ontwikkeling van hun broedsel. Toch heeft levendbarend zijn niet alleen maar voordelen. Vrouwtjes die jongen bij zich dragen kunnen daar ook last van ondervinden. Zo worden ze flink trager door het torsen van de alsmaar groeiende jongen. Verder is bijvoorbeeld van onze Adder bekend dat het dier tijdens de zwangerschap niet eet. Aangezien de jongen in augustus/september worden geboren, is de tijd tot te winterslaap te kort om voldoende reservevoedsel op te slaan. Elk jaar jongen werpen zou dan ook een te grote belasting voor het dier zijn. Eierleggende dieren hoeven hun 'last' lang zo lang niet mee te dragen. Ook beginnen ze weer veel eerder te eten, om het volgende jaar opnieuw weer een legsel te produceren. Zo ziet u maar weer eens, alles heeft zo zijn voor en tegens.

 
Jelle Hofstra / Verschenen in de Geaflecht van december 2001

« terug naar overzicht artikelen