Grutto’s, bijen en de crisis

De afgelopen tijd viel me op dat de grutto, de honingbij en de crisis gemeen hebben dat negatieve ontwikkelingen aangaande deze zaken vaak stelselmatig worden gebagatelliseerd of in het geheel worden genegeerd.


Van de Grutto is bekend dat deze soort het de laatste jaren erg moeilijk heeft. De voornaamste oorzaak is de sterk veranderde leefomgeving in het broedgebied. De intensivering van de landbouw resulteert erin dat naast volwassen met name jonge vogels moeilijk aan voldoende voedsel kunnen komen. Door de verdroging is er, over het broedseizoen bekeken, te weinig volume en diversiteit aan (bereikbaar) bodemleven voor de oude vogels. De jonge dieren kunnen in de monotone raaigrasvelden nog moeilijker hun kostje bij elkaar scharrelen. In combinatie met de toegenomen grondbewerkingen met zwaar materieel in het voorjaar, leidt dit tot te veel sterfte onder de jongen om de populatie op peil te houden.


Het is echter verbazingwekkend dat er nog steeds grote groepen zijn die zonder blikken of blozen de schuld van de achteruitgang van de weidevogels bij predatoren neerleggen. Nog curieuzer is dat een onderbouwing van deze bewering vrijwel altijd achterwege blijft en de persoon of personen in kwestie daar ook nog mee weg komen! Terwijl veldonderzoekers vaak honderden uren werk steken in het bepalen van broedresultaten en de invloed van diverse parameters op het broedsucces, kunnen de “anti-predatoren” er mee weg komen door te stellen “ik zag die zwarte kraaien de een na de andere jonge kievit ophalen”. Dat predatoren het werkelijke probleem vormen is dan kennelijk vastgesteld en of er al dan niet reeds sprake was van een verzwakte populatie, speelt klaarblijkelijk geen enkele rol. Aan enkele waarnemingen wordt dan even veel waarde toegekend dan aan jaren veldonderzoek. Het feit dat dit mogelijk is, ligt misschien ook wel aan de veldonderzoekers zelf. Door te weinig assertief gedrag te vertonen laat men zich te veel overrompelen door de argumenten van de “anti-predatoren” (die er soms gewoon belang bij hebben om maar niet over hoeven te gaan op meer duurzame landbouwmethoden). Dit alles resulteert erin dat er per saldo niets verandert in agrarisch Nederland en dat populaties verder onder druk komen te staan. Een niet-duurzaam systeem wordt koste wat kost in stand gehouden. Dit niettegenstaande al het biologisch onderzoek dat naar de werkelijke oorzaken is gedaan.

 

De honingbijen

Bij de honingbijen zien we iets soortgelijks. Deze insecten staan internationaal onder sterke druk door het veranderde grondgebruik en het gebruik van voor deze organismen soms erg nadelige bestrijdingsmiddelen zoals de bekende neonicotinoïden. In het gebruik van deze middelen is Nederland minder terughoudend dan diverse andere Europese landen. Onder andere het CTGB (college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) vindt het gebruik van diverse middelen nog steeds acceptabel. Wat daarbij echter lastig is te accepteren is, is dat de onderzoeksresultaten van CTGB niet openbaar zijn. Dit vanwege commerciële redenen van de desbetreffende fabrikanten. Een dergelijke opstelling is zeker wetenschappelijk gezien onacceptabel.


Het functioneren van een bijenvolk wordt door een groot aantal parameters bepaald. De invloed van een afzonderlijke parameter (zoals de belasting door de Varroamijt) is daarbij lastig te bepalen omdat de belasting op zich ook weer wordt beïnvloedt door de weerstand van het volk. Die weerstand wordt weer bepaald door parameters zoals de chemische belasting vanuit bestrijdingsmiddelen. De bewering die vanuit Wageningen Universiteit (WU) wordt gedaan dat de Nederlandse bijen meer worden aangetast door de Varroamijt dan door bijwerkingen van bestrijdingsmiddelen is daarmee erg discutabel. De nauwe banden tussen WU, de agro-industrie en de voormalige staatssecretaris Bleker van landbouw (laatstgenoemde als opdrachtgever van het bijenonderzoek) versterken helaas het beeld dat bij de onderzoeksresultaten de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst. Juist bijwerkingen van bestrijdingsmiddelen kunnen erin resulteren dat een volk verzwakt en daardoor extra gevoelig wordt voor parameters als mijten en schimmelinfecties. Vooral deze complexiteit maakt het daarmee van groot belang is dat onderzoeksresultaten openbaar zijn. CTBG en WU doen er daarmee verstandig aan om op een open wijze onderzoeksresultaten te presenteren zodat derden ook in de gelegenheid worden gesteld om verificatieonderzoek te doen. Daarmee worden verdenkingen voorkomen van onzorgvuldig of onvolledig onderzoek met als gevolg dat dergelijke instituten door de maatschappij niet meer serieus worden genomen.

 

Gebrek aan groei

Naast de opofferingsgezindheid van de Grutto en honingbij wordt het nog frappanter als wordt gekeken naar de wijze van bestrijding van de kredietcrisis. Als maatschappij zijn we blijkbaar ook bereid om elkaar zinloos op te offeren. Kern van het probleem is namelijk een “gebrek aan (afzet)groei” binnen het huidig bestel met als hoofdoorzaken:

 

Veranderend consumptiepatroon

1) Een zich stabiliserende en vergrijzende bevolking. De (consumptieve) bevolking van de EU bedraagt ± 500 miljoen inwoners. Een groei van gemiddeld 0,15% (2004-2010) resulteert enerzijds - door het gebrek aan substantiële bevolkingsgroei - tot een zich stabiliserende afzet (volume). Door de sterke vergrijzing verandert echter anderzijds ook het consumptiepatroon sterk (grosso modo: minder goederen en meer zorg);

 

Ongelijkheid

2) Een toenemende (mondiale) ongelijkheid in verdeling van inkomen en vermogen. Het consumptievermogen van de (groeiende) onderlaag neemt daarmee af. Door consumptieverzadiging bij de rijke bovenlaag wordt dit niet gecompenseerd. Dit heeft een negatieve invloed op de afzet van reguliere producten en verklaart ook de groeiende markt voor luxe producten;

 

Arbeidsproductiviteit

3) De toenemende arbeidsproductiviteit. Door technische innovatie kunnen er steeds meer (en betere) goederen met minder arbeid worden geproduceerd (groei van de arbeidsproductiviteit). Er is dus steeds minder menselijk kapitaal nodig om een gelijke hoeveelheid goederen te kunnen produceren;

 

Overcreditering

4) Overcreditering. Alleen al in Nederland bedraagt de totaalschuld van overheid, bedrijfsleven en burgers meer dan 325% van het BNP (andere berekeningen komen uit op bijna 400%!). Daarmee zijn we als Nederland het op 6e land qua BNP-schuldquote in de “ontwikkelde wereld”. Qua schuldenlast van de burgers staan we zelfs op nummer 2 (na Ierland). De rente die hierover betaald moet worden gaat ten koste van de consumptie en de op Nederland gerichte productie (veel andere landen hebben overigens ditzelfde probleem waardoor ook de voor Nederland belangrijke exportsector uiteindelijk wordt getroffen);

 

Bezuinigingen

5) Bezuinigingen. Hoewel bezuinigingen op individueel niveau (van mens tot staat) zeer begrijpelijk zijn, is het macro-effect van bezuinigingen minder bestedingen en minder benodigde arbeid. Bijkomend nadeel is nog dat bezuinigingen een versterkend effect hebben (€ 1 miljard bezuinigingen leiden tot meer dan € 1 miljard aan BNP-krimp). Het gebrek aan groei (o.a. door de punten 1 t/m 4 veroorzaakt) of zelfs krimp, resulteert er puur technisch in dat er steeds aanvullende bezuinigingen gevonden moeten worden om de rente en andere lasten betaalbaar te houden (schulden en rente groeien wel maar de productie niet);

 

Arbeidsaanbod

6) Stimulering van het arbeidsaanbod. Onder andere maatregelen als het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd leiden tot een hoger aanbod van arbeid. Voor dit extra aanbod is echter geen absorptievermogen met als resultaat meer werklozen en nog minder consumptievermogen;

 

Verpaupering van de leefomgeving

7) Hogere lasten en onderhoudskosten. Overheidsbezuinigingen leiden voor de burger helaas vaak tot hogere lasten waardoor de consumptie extra wordt geremd. Daarnaast leidt bij krimp ook het onderhoud van materiele en immateriële goederen en zaken tot een relatief steeds grotere financiële belasting voor de beroepsbevolking. Daarmee dreigt, ondanks een steeds grotere groep werklozen, ook in Nederland, uiteindelijk verval en verpaupering van de leefomgeving in brede zin;

 

Beleid Centrale Banken

8) Het beleid van de Centrale Banken. De kwantitatieve verruiming door Centrale Banken wordt deels aangewend voor beleggings- c.q. speculatieve bestemmingen en resulteert o.a. (zeker in relatie tot een zeer geringe groei of krimp) tot een relatief hoge inflatie (in Nederland momenteel circa 3%). Daarnaast zijn al deze extra gelden weer rentedragend waarmee de reële economieën wederom wordt belast;

 

Import van goederen

9) De import van goederen vanuit economieën (als China) waar tegen veel lagere kosten - en vaak onder in Europa onacceptabele condities - wordt geproduceerd (no equal playing field). Deze import stoot arbeid op de nationale markten uit;

 

Incapabele politici

10) Disfunctioneren en incapabele politici en bestuurders en toezichthouders, daarin vaak bijgestaan door slecht functionerende media en economen. De onderliggende problemen worden niet aangepakt maar de gevolgen probeert men te bestrijden. Daarnaast versterken de genomen maatregelen vaak de onderliggende problematiek. Te vaak wordt een oplossing gezocht in nieuwe (megalomane) projecten (als 5 nieuwe landsdelen).

 

Opmerkelijk

In het licht van bovenstaande punten gezien, is het dan ook zeer opmerkelijk dat men in Europees verband de crisis wil oplossen met “hervormingen” en “verdere bezuinigingen” (meer krimp), “verder verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd” (meer aanbod leidt tot meer werkloosheid), “innovatie” (als het doel van innovatie het verhogen van de arbeidsproductiviteit is, leidt dit wederom tot uitstoot van arbeid), “hervormingen van de arbeidsmarkt” (mensen met een vaste baan vervangen door tijdelijk personeel en daarbij afstand te doen van het overtollig personeel), “lagere loonkosten of demotie” (met een nog sterkere reductie van de consumptie als gevolg), “het concurrerender maken van economieën in de periferie” (bijvoorbeeld een Ford-fabriek van Genk naar Valencia verplaatsen), ect.


Het is zeer opmerkelijk dat deze voorstellen breed gedragen worden als de oplossing van de problematiek terwijl er geen fundamentele onderbouwing aan ten grondslag ligt. Inhoudelijk zijn de voorstellen vaak contraproductief. Het vervelende hiervan is dat, gelijk bij de Grutto en de Honingbij, het fundament onder het systeem wordt weggeslagen. Dat alles om de financiële markten tevreden te stellen (die in wezen zelf een groot deel van het probleem vormen).

 

Financiële zeepbel

Hoe dit zal eindigen is onbekend maar een ding is zeker: “de gevolgen zullen geen BIJ-zaak zijn maar een groot deel van de samenleving hard raken”. Uiteindelijk kan de financiële zeepbel niet onbeperkt worden opgeblazen en zal er een moment komen dat deze uiteenspat. Voor de Nederlandse banken (en daarmee Nederland) zal dit – genationaliseerd of niet – grote gevolgen hebben gelet op de miljardenafboekingen die nog moeten worden gedaan. Dit bevestigt nogmaals het grote belang om nu te beginnen met het in kaart brengen en bestrijden van de zaken die een duurzame samenleving in de weg staan. Een eerste stap daarbij kan zijn het beseffen dat de financiële markten geen trek hebben in grootschalige verliezen die het gevolg zullen zijn van afboekingen en om die reden de politiek maar blijven bestoken met de noodzaak om het ingezette beleid voort te zetten.


De natuurbescherming in Nederland doet er verstandig aan om te beseffen hoe het systeem (dis)functioneert. Bij nieuwe bezuinigingen zal er ongetwijfeld weer een beroep op natuurbeheer worden gedaan om een bijdrage te leveren. Een dergelijke quasi-solidariteitsgedachte is echter een zinloze weg en vormt in wezen slechts een extra barrière naar duurzaam herstel.


                                                    W.S. van der Meulen, 2013

 
Wietze van der Meulen / Verschenen in de Geaflecht van maart 2013

« terug naar overzicht artikelen