Het spinneweb

In de herfst kan een wandeling in het bos een waar genoegen zijn. Af en toe echter is de lol van zo'n wandeling snel verdwenen aangezien overal spinnenwebben ons pad doorkruisen. Zo nu en dan moet je dan ook je gezicht, gewoon schoonvegen van deze kleverige spindraden.
De vraag: hoe komen deze webben daar en welk nut hebben ze is dan ook gauw gesteld.

 

Een wonder geschiedt


Spin in web

Wel, hierop kan vrij eenvoudig geantwoord worden. Deze webben zijn meestal afkomstig van onze kruispinnen. Deze zijn qua kleur moeilijk te beschrijven, aangezien deze nogal variabel is. Het enige kenmerk is het witte kruis, bestaande uit witte vlekjes, alhoewel deze ook niet altijd erg duidelijk aanwezig zijn. Deze kruisspinnen kunnen er in slagen om hun web te spannen tussen twee bomen die 1 á 3 meter van elkaar verwijderd staan. Dit wonder geschiedt als volgt:

 

Er wordt eerst een draad gesponnen die door de wind uit de spintepel van de spin wordt getrokken. Heeft de spin geluk dan kleeft deze spindraad aan de overzijde aan een tak of een stam. De spin voelt dit vastkleven aan de spanning die op de draad komt te staan. Is dit het geval dan wordt deze eerste 'hoofdkabel' op de zitplaats van de spin bevestigd.
Dan gaat de spin een eindje naar beneden, bevestigt daar een tweede draad, loopt weer omhoog en gaat als een koorddanser langs de eerste draad al spinnend naar de overkant. Tijdens dit overlopen houdt ze met haar achterpoten de tweede spindraad van de eerste af. Aan de overzijde aangekomen loopt ze met de nieuw gesponnen draad naar beneden en gaat deze bevestigen. Hierna loopt ze weer naar boven om de eerste aangewaaide draad te bevestigen. Zo zijn er dus twee min of meer horizontaal gesponnen draden ontstaan. Hier tussen spant de kruisspin op dezelfde manier een dwars– of raamdraad, waardoor een vierkant ontstaat, waarin de kruisspin zijn eigenlijk wielweb maakt.
De spaken van het wiel worden nu aangebracht. Vanuit de dwarsdraad loopt de spin al spinnend omhoog, terwijl ze met haar achterpoot de nieuwe draad (spaak) afhoudt. Blijkt dat alle spaken aanwezig zijn dan wordt op dezelfde manier een hulpspiraal gelegd van niet kleverige draad. Als deze hulpspiraal klaar is, spint ze via de hulpspiraal haar vangspiraal van kleverige draad, terwijl ze gelijk de hulpspiraal weer afbreekt.

 

Hierna wordt het centrum nog wat bijgewerkt en gaat de kruisspin afwachten of er een prooi in het web gaat vliegen. Is dit het geval dan voelt de spin dit door de trillingen van het web, waardoor zij schoksgewijs naar de prooi toe loopt. Bij de prooi aangekomen, omsingelt de spin de prooi met enige spindraden, zodat deze weerloos en bewegingsloos wordt, Hierna geeft ze de prooi een beet met haar kaken waar gifklauwen aan bevestigd zijn. Met deze gifklauwen brengt de spin verterende sappen in de prooi, waardoor deze van binnen geheel vloeibaar wordt, met als gevolg dat de prooi na enige tijd kan worden uitgezogen door de spin.

 

Als de vangst goed is geweest, is het web meestal behoorlijk stuk en bijna elke nacht wordt er dan ook een nieuw web gemaakt. Het oude web wordt tegelijkertijd met het aanbrengen van het nieuwe web opgegeten en door afbijten weggeworpen. Zo'n nieuw web is, hoe lastig het soms, tijdens een boswandeling, ook kan zijn een prachtgezicht, vooral wanneer fijne dauwdruppels zich op het web hebben afgezet.

 
Verschenen in de Geaflecht van september 1982

« terug naar overzicht artikelen