Het vogelei

Deze keer wil ik het eens over iets anders hebben dan het herkenen van vogels. Namelijk over de eieren van vogels. Ieder vogelei is in feite een natuurwonder. Een ei wordt door een vogel gelegd met als inhoud een gele en een witte dooier. Door het ei warm te houden (bebroeden) groeit er een kuiken in het ei. Alle vogels, zonder uitzondering, leggen eieren. Men kan gerust aannemen dat deze bijzondere voortplanting nauw samenhangt met de wijze waarop de vogels zich bewegen. Vogels moeten kunnen vliegen om zich in leven te houden. Als vogels zwanger zouden zijn, zoals bij zoogdieren, zou dit tijdelijk een vermeerdering van hun gewicht betekenen. Door dit tijdelijk verhoogde gewicht zou een vogel niet of veel minder goed kunnen opvliegen, en daarmee zouden ze kwetsbaar zijn voor predators. Door predators kunnen de eieren natuurlijk ook worden gepredeerd. Maar dat heeft als voordeel dat de ouder vogel (meestal) blijft leven en t.z.t een nieuw legsel kan produceren.

 

Eivormen


Er bestaan nogal wat verschillende eivormen. Zo kan de vorm variëren van kort elliptisch tot lang tolvormig. Evenals de kleur en de tekening is ook de vorm van de eieren voor diverse vogelsoorten karakteristiek. Er zijn grofweg vier hoofdtypen te onderscheiden. Namelijk elliptisch, ovaal, puntig ovaal en tol- of peervormig. Een niet al te vaak voorkomend eitype is het elliptische ei. Vaak lopen deze eieren aan de polen gelijkmatig puntig toe. We treffen zulke eieren aan bij Futen. De kort elliptische vorm komt voor bij veel stootvogels zoals arenden, buizerds, wouwen en veel valken. Lang elliptische eieren leggen alle duiven en zandhoenders. Veel voorkomend is de min of meer ovale eivorm, die vinden we bij pelikanen, reigers, ooievaars, roerdompen, eenden, ganzen en zwanen. Algemeen voorkomend zijn ook de tol- of peervormige eieren. Deze treffen we bijvoorbeeld aan bij plevieren, snippen, wulpen, grutto's en strandlopers. Ook komen lang tolvormige eieren voor. Deze vinden we bij alken en zeekoeten. Deze vogels broeden op rotsrichels en van een nest is geen sprake. Een windstoot of een stootje van de vogel doet het ei niet wegrollen als een knikker maar zal het een boogje doen beschrijven. Hierdoor rolt een dergelijk ei dus niet zo gauw van de rotsrichel waardoor het kapot zou vallen. Waarom zijn niet alle eieren ovaal? De verschillende eivormen hebben zich in de loop der tijden ontwikkeld en zijn kenmerken van de soort geworden. De vorm van het ei komt overeen met de vorm van het vogelbekken. Een vogel met een langgerekt bekken zoals de Fuut legt overeenkomstig langgerekte eieren. Een vogel met een diep bekken zoals bijvoorbeeld de Oehoe legt een kort ovaal ei. Ook de tol- of peervorm heeft in veel gevallen een zeker doel. Als een Kievit zich te broeden zet, liggen de vier eieren met de punten naar elkaar toe. Draait men ze om, zodat de puntige uiteinden naar buiten wijzen dan draait de Kievit, alvorens weer plaats te nemen op de eieren, deze weer in de oude stand terug. Hiervoor is een goede reden. Als de punten van de eieren naar buiten wijzen liggen de eieren verder uit elkaar als met de punten naar binnen. Met de punten naar binnen gericht kan de Kievit ze gemakkelijker bebroeden.

 

Eigrootte

Eieren variëren ook in grootte maar welke soort legt nu relatief de grootste eieren. Over het algemeen geldt de stelling: Kleine vogels leggen relatief grotere eieren dan grote vogelsoorten. Vergelijken we uitsluitend de afmetingen van de eieren met elkaar, dan leggen natuurlijk in het algemeen grote vogels grote, en kleine vogels kleine eieren. Toch zijn de resultaten anders als we niet alleen het gewicht van de eieren, maar ook het lichaamsgewicht van de betreffende vogel en de daarmee relatieve eigrootte met elkaar vergelijken. Dan komt bijvoorbeeld tot uiting dat onze Winterkoning met een lichaamsgewicht van 9,5 gram een relatief zwaarder ei legt dan de gemiddeld 90 kilo wegende Afrikaanse struisvogel. Een ei van een Winterkoning weegt 1,3 gram en een struisvogelei 1,5 kg. Dit is dus 13,7% respectievelijk 1,7% van het lichaamsgewicht. Daarbij wil ik nog even naar voren brengen dat ons Winterkoninkje niet ons kleinste vogeltje is. Dat zijn het Goudhaantje en het Vuurgoudhaantje die slechts 5 gram wegen. Hun eitjes meten 13,5 bij 10,3 mm en wegen 0,72 gram. Van de thans levende vogels legt de Struisvogel het grootste ei met gemiddelde afmetingen van 158 bij 131 mm en een gemiddeld gewicht van 1620 gram. Hiervan komt 278 gram voor rekening van de eischaal. De absoluut allerkleinste eitjes worden door de kolibries gelegd. De soort Lophornis ornata weegt 3 gram en legt eitjes die gemiddeld 10,5 bij 6,5 mm zijn en 0,25 gram wegen. Nog wat kleiner en dus ook lichter is het eitje van de kleinste kolibrie Phaethornis ruber. Dat vogeltje weegt slechts 1,80 gram en het eitje ongeveer 0,2 gram. Hiermee is bevestigd dat kolibries relatief de grootste eieren leggen.

 

Eiglans


Erg karakteristiek voor de eieren van diverse vogelsoorten is de glans van de eischaal. Terwijl de meeste eieren een niet of nauwelijks glanzende schaal hebben treffen we bijvoorbeeld bij spechten, bijeneters en scharelaars, porseleinwitte glanzende eieren aan. Nog veel meer glanzend zijn de eieren van Tinamoes die in 33 soorten voorkomen van Mexico tot zuidelijk in Patagonie waar zij domicilie hebben op de grassteppen, de bosstreken in de vlakte en in het gebergte. Alle tinamoes leggen hun sterk glanzende éénkleurige eieren in een gekrabd kuiltje in de grond. Dat veel van deze tinamoes chocolade kleurige of zwartgrijze eieren leggen schijnt voor de hand te liggen, want het zijn immers bodembroeders. Ook worden sterk glanzende lichtblauwe eieren gelegd, en dit bij bodembroeders. Een erg vreemd geval want normaal leggen bodembroeders, denk aan de Kievit, eieren die zo volkomen aan de omgeving zijn aangepast dat men goed moet zoeken wil men de legsels in het gras of op een zandvlakte vinden. Waarom de eieren van sommige soorten glanzen en anderen niet is onbekend. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het een biologisch doel heeft. Wellicht licht het glanzend ei van een specht beter op in het donkere nesthol, zou men kunnen denken, dan een dofwit ei. En kan de specht het ei beter zien in zijn nesthol.

Alle vogels, zonder uitzondering, leggen eieren. Maar niet alle vogels broeden zelf hun eieren uit. Zoals bekend zal zijn, worden eieren van o.a. Ringslangen in een broedhoop uitgebroed. Er zijn ook vogels die hun eieren in broedhopen uit laten broeden. Er bestaan werkelijk vogels die broedovens hebben uitgevonden. Zo heet een op de Molukken voorkomende grootpoothoender Megapodius freycinet in het engels Incubator bird (broedmachine vogel).

 

Eigenaardig

Het zijn deze grootpoothoenders die in zeven geslachten met totaal 18 soorten zich onderscheiden van alle andere vogels door hun buitengewoon eigenaardige broedbiologie. Hoewel grootpoothoenders nooit zelf broeden, komen er toch elk jaar duizenden kleine grootpoothoenders ter wereld. Alle grootpoothoenders leggen vrij forse eieren. De vogels harken bladeren, takjes en aarde bij elkaar tot een soort heuvel en leggen daarin de eieren. De eieren worden door de gistingswarmte in de nestheuvel uitgebroed. In deze steeds in de zon liggende nestheuvels worden temperaturen van 35 graden gemeten. Bij veel grootpoothoenders bouwen alleen de mannetjes de broedheuvel. Als de broedheuvel af is, wordt het vrouwtje toegelaten om eieren te leggen. Komt ze te vroeg dan wordt ze weggejaagd.

 

Warmteregeling

Bij regenachtig weer maakt het mannetje een kuil in de top van de heuvel en keert het materiaal de hele dag om terwijl het regent. Vaak maakt hij al een kuil een dag voor het gaat regenen. Zodra het zonnig wordt, maakt het mannetje de kuil weer dicht. De vogel controleert de temperatuur door zijn vrijwel naakte kop naar binnen te steken. Met tussenpozen van twee tot drie dagen worden 18 tot 24 eieren gelegd. De jongen komen na 9 tot 12 weken uit het ei. Tijdens de 'broedtijd' regelt de haan de warmte door verdere ophoping met materiaal, vooral vochtige bladeren en aarde om het gistingsproces in het bovenste deel van de heuvel op gang te houden. Deze manier van 'broeden' komt alleen bij de grootpoothoenders voor. De jongen die uit de eieren kruipen zijn nestvlieders en zijn meteen al vrij zelfstandig.

 

Nestvlieders en nestblijvers


Nestvlieders verlaten enige uren na het uitkomen het nest. Aangezien zij na het uitkomen vochtig en afgemat zijn, moeten ze eerst drogen en zich herstellen van de inspanning die het doorbreken van de eischaal heeft gekost. Deze zogenaamde nestvlieders broeden, op enkele uitzonderingen na, maar eenmaal per jaar terwijl nestblijvers in een jaar drie keer jongen grootbrengen. Bij nestblijvers en nestvlieders komen zowel kleine als grote legsels voor. Bijvoorbeeld de Koolmees die een echte nestblijver is kan wel 12 eieren in een legsel produceren. Terwijl de Merel die ook nestblijver is hooguit 5 eieren in een legsel produceert. Hetzelfde geldt voor nestvlieders. Denk maar eens aan de Wilde eend, nestvlieder op het hoogste niveau. Deze soort legt wel 12 eieren in een legsel. Terwijl de Kievit die ook nestvlieder is en meestal 4 eieren in een legsel produceert.

 

Uit de toon

Zoals de grootpoothoenders zich onderscheiden van de andere vogelsoorten door hun broedbiologie, is er nog een vogelsoort die uit de toon valt: alle soorten die tot de orde der Charadriiformes behoren (met uitzondering van de alkenfamilie) dat zijn o.a de scholeksters, kieviten, plevieren en snippen en nog veel andere. Zij leggen bruinachtige, zandkleurige, steengrijze, olijfkleurige of groenachtige eieren die donker gevlekt zijn. Die komen fantastisch goed met de omgeving overeen. U kunt als voorbeeld de Kievit nemen. Een soort echter, de Krabplevier die ongeveer zo groot is als een Scholekster, legt een zuiver wit ei dat ongeveer zo groot is als een kippenei en gemiddeld 63 bij 45 mm meet.

 

Krabplevieren

De Krabplevieren bewonen de noordelijke en westelijke kusten van de Indische oceaan, de kusten en eilanden van de Rode zee en de Perzische golf, de Lacadiven, Andamanen de Comoren, Aldabra en tenslotte Madagaskar. Hier wonen en broeden deze plevieren in kolonies op de stranden of op eenzame koraaleilanden, die hier en daar bedekt zijn met zand en stukjes schelp. Hun voedsel bestaat uit krabben, mossels en slakken. De Krabplevier heeft voor zijn enige, relatief groot ei geen schutkleur nodig. Hij legt het ei namelijk niet ergens op de bodem maar aan het eind van een schuin in het zand gegraven gang, die tot 1 meter lang en 50 cm diep is. Door de extreem hoge temperaturen in de broedgebieden, die gedeeltelijk in de warmste zones van de aarde liggen, zijn de Krabplevieren wel gedwongen onder het aardoppervlak te broeden. Maar er is nog iets bijzonders met de voortplantingsbiologie van de Krabplevieren. De jongen van alle plevieren, snippen, wulpen en grutto's zijn uitgesproken nestvlieders. De pas uitgekomen Krabplevier, die gestoken is in een eenkleurig grijs donspakje, heeft alle tijd en is in zijn broedhol goed geborgen. De jonge Krabplevier is in het begin erg hulpeloos en zelfs niet in staat te lopen. Ook hier valt de Krabplevier uit de toon, hij is tevens de enige soort die in de orde Charadriiformes een uitgesproken nestblijver is.

 

Begraven in zand

Behalve de Krabplevier is er in de orde der Charadriiformes nog een soort die de eieren niet open en bloot laat liggen, maar ze in het zand begraaft. Dit is de Krokodilwachter. Als wij in het veld om Grutto-eieren zoeken, zijn wij vaak verbaasd hoe een Grutto zijn eieren in het lange gras terug kan vinden. Bij de Krokodilwachter is dit helemaal een raadsel want hij begraaft zijn eieren in het zand. Dit lijkt dan een zandvlakte en er is helemaal geen sprake van een nest. Waarom de Krokodilwachter zijn eieren begraaft, is een raadsel want de eieren hebben een goede schutkleur.

 

Broedtijd


In welke periode van het jaar leggen vogels hun eieren? De voornaamste broedtijd van soorten die in Europa voorkomen, strekt zich uit van april tot en met juni. Een paar soorten begint al eerder te nestelen terwijl andere nog laat aan het broeden zijn. Het is niets ongewoons om in juli en zelfs augustus nog broedende vogels aan te treffen. Eén vogelsoort houdt er echter geen vaste broedtijd op na: De Kruisbek. Deze vogel broedt in alle jaargetijden, hoewel de meeste legsels worden aangetroffen van januari tot april en vooral in maart. Stellig heeft de aanwezige hoeveelheid dennenkegels veel te maken met de aantallen van deze Kruisbekken en ook het begin van hun voortplanting.

 

Bijzonderheden

Tot slot nog wat bijzonderheden. In elke maand van het jaar worden in Londen broedende Houtduiven aangetroffen. Een vroeg legsel van de Houtduif in Nederland werd gevonden op 17 maart en een laat legsel werd aangetroffen op 7 oktober. Wilde eenden kan men in Engeland het hele jaar broedend aantreffen. In Nederland had een paartje Spreeuwen in januari al jongen. Futen kunnen midden maart al zitten te broeden. Verder is er een broedgeval op 9 maart van een Sijsje bekend geworden. Tevens werd er op de 11e september nog een Huiszwaluw gezien die zijn jongen nog voerde. Zo zie je maar, uitzonderingen bevestigen de regel.

 
Thymen de Groot / Verschenen in de Geaflecht van september 2002

« terug naar overzicht artikelen