Sneeuwuil, vogel van de eenzaamheid

Daar zat hij dan, op het dak van de manage in het dorpje Hemrik. Wat een vogel zo'n sneeuwuil. Als hij zijn vleugels uitslaat, kan de spanwijdte tot 1,66 m bedragen. Dat is dan gemeten tussen de beide vleugeltoppen. Bij de oehoe, de grootste uil, kan dat nog 20 cm meer zijn. Het was op een van de kerstdagen in de jaren tachtig, ik had een telefoontje gekregen dat er een sneeuwuil op een hek zat. Dat kan niet was mijn eerste reactie. Maar het is wel zo zei de beller. Ik sloeg de boeken "Vogels in Friesland"er op na. Het zou kunnen, maar ze waren zo weinig in ons land waargenomen, ik geloofde er niet in. Nauwelijks de boeken op de plank gezet, of daar ging de telefoon weer. Weer iemand uit Hemrik, een vogelkenner, er zat een sneeuwuil bij hen op de schoorsteen. Nu moest ik het wel geloven. Vlug de fotospullen in de auto en wegwezen.

 

Zeldzame dwaalgast


Sneeuwuil


De lucht was donker, het regende pijpenstelen, maar je zit dan vol vuur. En daar zat hij dan op de manege, in de regen. Onder stond er een groepje mensen naar te kijken. Wat een vogel, op een na de grootste uil van Europa. En dan komen er vragen bij je op, waar komt zo'n vogel vandaan, het is geen vaste wintergast bij ons. Het is een zeldzame dwaalgast. Ik wil mijn vragen beantwoord zien en ga er over lezen. Nadien, tot heden is er nog een paar keer een sneeuwuil in ons land waar genomen. In de vogelgids van "Lars Jonsson" staat dat er tot 1993 ca 10 keer een gezien is. Het zijn schuwe vogels die in boomloze streken leven. Dat ze bij ons minder schuwheid tonen komt misschien doordat ze in minder goede conditie verkeren. In "Vogels in Friesland" wordt vermeld dat er in 1964 zes sneeuwuilen, jongen, waren afgeleverd bij diergaarde Blijdorp. Ze waren uitgeput neergestreken op schepen op de Noord Atlantische route. Niet zo lang geleden zijn ook nog een paar aangevoerd bij een vogelasiel, ook afkomstig van een schip.

 

Broedgebied


Hun broedgebied ligt zo'n beetje langs de grens van Zweden en Noorwegen, in het bergland van Trondheim tot Finmark. Hier dus niet aan de kust. Dan zet het zich met een korte onderbreking voort langs de kust vanaf Kirkenes en Kola, over de Witte Zee langs de kust van Siberië tot Kamtsjatka. Verder broeden ze op IJsland, eilanden in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan, de oost en noordkust van Groenland, en van Newfoundland langs de noordkust van Canada en Alaska tot de Beringstraat. Na de broedtijd zwerven ze over de toendra's naar zuidelijker streken, maar ze blijven in onbewoonde, meer ontoegankelijke gebieden boven de boomgrens. In Noorwegen en Zweden komen ze een enkele keer tot het zuiden, en in het verleden ook tot het noorden van Denemarken. Die verder afdwalen, zoals de enkelen die in onze streken waargenomen zijn, zijn meestal jonge vogels.

 

Predatie


Het mannetje is kleiner dan het vrouwtje. Ze worden 53 tot 66 cm groot. De kleur is wit met donkere vlekken, maar het mannetje heeft aanzienlijk minder, of helemaal geen vlekken. Jongen hebben meer vlekken, de veren worden pas in het tweede jaar geruid. Het voedsel van de sneeuwuil bestaat voor het grootste deel uit lemmingen en andere knaagdieren van de toendra. Daarnaast poolhazen, en vogels zoals meeuwen, eenden en ganzen. Ze produceren grote braakballen die een lengte kunnen hebben tot 12 cm, met een doorsnede van 3,5 cm. Het zijn door de grote stukken botten die er in zitten onregelmatig gevormde braakballen, die los samen gedrukt zijn. De sporen die te vinden zijn in de sneeuw of drassige bodem, tonen een ander beeld dan dat van de meeste vogels. Het lijkt enigszins op een asymmetrische H met vier tenen. Een voetafdruk van een vrouwtje meet 10 cm, dat van het mannetje is kleiner.

Het nest maken ze in open terrein op de toendra of in de bergen, vaak op een hoger kopje, wat verscholen bij een rotsblok of een grote pol. Het bestaat uit een ondiepe kuil wat ze bekleden met mos en veren. Normaal bestaat hun broedsel uit 5 tot 8 eieren, maar naar gelang het voedselaanbod kan het variëren van 2 tot 14. Om de andere dag wordt er een ei gelegd. Maar soms met langere tussenpozen, en kan het drie weken duren voor een voltallig broedsel compleet is. Het vrouwtje begint direct op het eerste ei te broeden. Het uitkomen van een ei duurt 30 tot 34 dagen. Zo komen de jongen ook zeer verschillend uit. Dit is een groot gevaar voor het opvoeden van de jongen, vooral wanneer het een groot nest betreft. Veel van de jonge uilen vallen daardoor ten prooi aan predatie van vossen en andere rovers, vooral jagers, vaak beschreven onder de Engelse naam skuas. Deze laatsten zijn brutale nestrovers, zowel eieren als jongen. De uilen verdedigen hun nest en jongen moedig, maar tegen de felle aanvallen van de jagers, de grote jager is even groot als een sneeuwuil, zijn ze vaak niet opgewassen. Dan sterven er nog veel jongen door voedselgebrek, en het onstuimige klimaat kan ook een rol spelen. Nadat de eieren zijn uitgekomen duurt het nog 6 tot 8 weken voor de jongen uitvliegen.

 

Voedselaanbod



De zomer in het hoge noorden is kort. De tijd van het begin van de broedperiode tot de vogels uitvliegen, is vaak voor de laatsten die uit het ei komen te kort om het vangen van prooi te leren, en overleven het niet. Een grote rol speelt het voedselaanbod. Het hoofdvoedsel bestaat uit lemmingen. Bekend is dat die bij piekjaren in overvloed aanwezig zijn, maar die worden gevolgd door magere jaren. Hier stellen de sneeuwuilen hun broedgedrag op in wat het aantal eieren wat gelegd wordt aangaat. Soms slaan ze in magere jaren een of een paar broedseizoenen over. Het jachtgebied van een paartje sneeuwuilen is normaal 9 tot 10 vierkante kilometer, maar in jaren met minder prooidieren kan dat veel groter zijn. Je moet geluk hebben om deze schuwe vogels, die een terug getrokken leven leiden in moeilijk voor de mens te betreden gebieden te aanschouwen.
Sneeuwuilen, vogels van de eenzaamheid.

 
Hans Baron / Verschenen in de Geaflecht van januari 2003

« terug naar overzicht artikelen