Trekvlinders

Het zal u niet ontgaan zijn: Nederland ging deze zomer gebukt onder een hittegolf. De zomer van 2003 heeft nu al een plekje veroverd in de top vijf van Neerlands heetste zomers aller tijden. Maar ook elders in Europa liep het kwik flink op. Toen de zomer op zijn hoogtepunt was, werd iedere dag wel ergens in Europa een nieuw warmterecord geboekt. De hitte en droogte in Europa hebben geleid tot een aanzienlijke migrantenstroom van vlinders naar ons land. Bij de Vereniging voor Natuurbescherming zijn de laatste tijd veel waarnemingen van en vragen over trekvlinders binnengekomen. Ook uit het aantal publicaties in zowel landelijke als regionale dagbladen blijkt dat trekvlinders de gemoederen flink bezighouden. Tijd dus voor een overzicht. In dit artikel wordt aandacht besteed aan het fenomeen vlindertrek en bovendien worden enkele (regelmatig waargenomen) opportunisten onder de vlinders voorgesteld.

 

Wat is een trekvlinder?


Kolibrievlinder

Elke vlinder die een kleinere of grotere afstand aflegt is in feite een trekvlinder. Toch worden niet alle soorten die zich verplaatsen tot de trekvlinders gerekend. Zoals vaker geldt voor menselijke indelingen, is niet altijd duidelijk wanneer een soort tot de trekvlinders behoort en wanneer niet. Sommige inheemse soorten bijvoorbeeld migreren binnen hun areaal. Een voorbeeld hiervan is de walstropijlstaart (Hyles gallii) die binnen haar verspreidingsgebied onduidelijk trekgedrag vertoont. Omdat de afgelegde afstand per individu verschilt en niet alle individuen van een populatie aan de trek deelnemen, worden deze soorten gemakshalve niet tot de trekvlinders gerekend. Trekvlinders zijn dan soorten die in Nederland niet inheems zijn en onder natuurlijke omstandigheden hier niet kunnen overwinteren.

 

Het fenomeen vlindertrek

Over vlindertrek is nog relatief weinig bekend. Zo is het nog steeds onduidelijk wat vlinders ertoe beweegt om te gaan trekken, waarom bepaalde soorten migreren en andere niet, waarom slechts een deel van een vlinderpopulatie aan de trek deelneemt en waarom de afgelegde afstand per individu verschilt. Langjarig onderzoek aan dagvlinders heeft uitgewezen dat de meeste vlinders in het voorjaar van de tropen wegtrekken naar de polen. Trekvlinders die ons land bezoeken zijn meestal afkomstig uit landen rondom de Middellandse Zee, enkele uit Midden-Europa, Klein-Azië en Midden-Afrika. Dit betekent dus dat ons land passerende trekvlinders in het voorjaar altijd de trekrichting noord of noordwest hebben. In het najaar slaat de trekrichting om. Veel vlinders die hier zijn opgegroeid (het nageslacht) gaan dan zuidwaarts. Dit fenomeen staat bekend als remigratie of terugtrek. De aanzet tot deze massale verhuizingen wordt vermoedelijk ingegeven door een verandering van de nachtlengte en (minimum)temperatuur. Dit geldt waarschijnlijk voor zowel dag- als nachtvlinders.

 

Hoe weten ze de weg?


Atalanta's

Waar wij de beschikking hebben over topografische kaarten en geavanceerde navigatiesystemen, moeten vlinders het tijdens de trek doen met hun eigen oriëntatievermogen (dat zo mogelijk nog vernuftiger is). Dagvlinders kiezen hun richting op basis van de stand van de zon. Polarisatie van licht speelt hierbij een cruciale rol. Licht raakt gepolariseerd wanneer het van een bepaald oppervlak wordt teruggekaatst. De mate waarin licht gepolariseerd raakt, hangt ondermeer af van de invalshoek van de lichtbundels. De ingenieuze facetogen van insecten zijn opgebouwd uit diverse deeloogjes (zogenaamde ommatidiën), waardoor de structuur van het oog lijkt op die van een bijenraat. Insecten zijn hiermee in staat de polarisatie en de trillingsrichting van licht waar te nemen en dus 'meten' zij als het ware de invalshoek van het licht. Naarmate de dag vordert en de vlinders hun koers wijzigen, verandert de invalshoek van de lichtbundels en hierdoor dus ook de mate van polarisatie en de trillingsrichting van het licht. Vlinders leiden hieruit hun positie af en weten zodoende precies welke kant ze op moeten. Voor nachtvlinders ligt de zaak iets genuanceerder. 's Nachts is er immers weinig licht, ondanks de plaatselijk aanzienlijke duisternisvervuiling. Zij beschikken dan ook (evenals de dikkopjes) over een (superpositie)oog dat zeer lichtgevoelig is. De oriëntatie van nachtvlinders vindt plaats aan de hand van de maan en, als het het bewolkt is, baseren ze zich op één of meerdere sterren. Vlinderaars maken dankbaar gebruik van dit gegeven. Omdat nachtvlinders tijdens hun trektochten een constante hoek proberen vast te houden ten opzichte van het licht van de maan, raken ze in de war wanneer ze in de buurt van een (felle) lamp komen. Ze proberen dan ook die constante hoek vast te houden, maar dat betekent in de praktijk dat ze in een soort spiraalbaan richting lamp gaan. Dit heeft tot gevolg dat diverse soorten zich tot het licht 'aangetrokken' voelen, waardoor redelijk eenvoudig kan worden vastgesteld welke soorten in welke aantallen ter plaatse aanwezig zijn.

 

Kleine vlinders

Trekvlinders leggen enorme afstanden af. Men is dan al gauw geneigd te denken dat het om forse vlinders gaat. Onze kleinste migrant, het koolmotje (Plutella xylostella), heeft echter een spanwijdte van slechts 15mm. en is (toch) afkomstig uit Zuid-Europa. Ook Nomophila noctuella behoort tot de kleinere vlinders (met een spanwijdte van 24mm.) en weet ons land dit jaar massaal te bereiken vanuit Zuid-Europa en Afrika. Beide soorten zijn gebonden aan ruderaalterreinen en kunnen zodoende als echte opportunisten worden beschouwd.

 

Reguliere bezoekers

Tot onze bekendste migranten behoren ongetwijfeld de atalanta (Vanessa atalanta) en de distelvlinder (Vanessa cardui). Samen met het gamma-uiltje (Autographa gamma) zijn zij verantwoordelijk voor een groot deel van de jaarlijkse migrantenstroom. Hoewel de aantallen per jaar sterk uiteenlopen, worden jaarlijks ongeveer enkele duizenden atalanta's en meestal een kleiner aantal distelvlinders waargenomen. Het gamma-uiltje, herkenbaar aan de Y-vormige vlek op de grijze vleugels, is in Nederland per jaar met gemiddeld 15.000 tot 20.000 vlinders vertegenwoordigd.

 

Invasievlinders


Windepijlstaart

Sommige trekvlinders worden alleen in gunstige jaren in groten getale gezien. De gele en oranje luzernevlinder (Colias hyale respectievelijk Colias croceus) bijvoorbeeld worden elk jaar in ons land waargenomen, maar ware invasies treden alleen in goede jaren op. Opvallend hierbij is dat goede jaren van de oranje luzernevlinder niet samenvallen met goede jaren van de gele luzernevlinder. Dit jaar lijkt wat dat betreft uit te pakken in het voordeel van de oranje luzernevlinder, omdat de meeste waarnemingen tot dusver betrekking hebben op deze soort. In de kuststreek en bij de grotere wateren worden gewoonlijk de grootste aantallen luzernevlinders waargenomen, omdat hier stuwing optreedt. Veel vlinders hebben aarzeling met het oversteken van grote wateren, zodat hier veel vlinders samenscholen. Kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) en windepijlstaart (Agrius convolvuli) zijn nomaden onder de grotere nachtvlinders. De kolibrievlinder is dagactief en trekt de aandacht door in rap tempo geurige bloemen te bezoeken. Het foerageer-
gedrag van deze soort is vergelijkbaar met dat van de kolibries, een groep sierlijke vogels uit tropisch Amerika. De vlinders hangen evenals hun evenbeelden onder de vogels voor bloemen om met hun lange roltong nectar te drinken. Ook de windepijlstaart staat bekend om dit gedrag. Deze vlinders foerageren vaak in de avondschemering, vooral op welriekende bloemen van tabak (Nicotiana), vlambloem (Phlox) en kamperfoelie (Lonicera). De grote afmetingen, de grijze tekening op de voorvleugels en de roze en zwarte banden op het achterlijf maken de soort onmiskenbaar. Soms zijn de rupsen van deze soort talrijk langs spoordijken en wegen, en op akkers, omdat hier de voedselplant, akkerwinde (Convolvulus arvensis), welig tiert.

 

Het belang van gegevens

Veel van wat we weten over migratiegedrag is gebaseerd op zorgvuldig geregistreerde waarnemingen van trekvlinders. Niettemin is over vlindertrek nog veel onbekend. Op veel vragen moet in de toekomst nog een antwoord worden gevonden. Trekvlinderregistratie Nederland is 's werelds langst lopende project voor het registreren van trekvlinders. Op basis van door vele vrijwilligers bijeengebrachte gegevens wordt geprobeerd onbeantwoorde vragen over vlindertrek te beantwoorden. Ook uw hulp is meer dan welkom. Voor het registreren van trekvlinders zijn vier soorten gegevens van belang: de soort, het aantal, de datum en de vindplaats (liefst met Amersfoortcoördinaten). U kunt uw waarnemingen van (trek)vlinders doorgeven aan de Vereniging voor Natuurbescherming (zie voor het adres voor het doorgeven van vlinderwaarnemingen elders in deze Geaflecht of via e-mail: info@geaflecht.nl). Deze waarnemingen worden vervolgens doorgegeven aan de Trekvlinderregistratie Nederland.

 

Dankwoord

Veel mensen stuurden het afgelopen jaar hun waarnemingen van trekvlinders naar de Vereniging voor Natuurbescherming. Uit de vele vragen en reacties bleek dat er behoefte was aan informatie over trekvlinders. Met dit artikel hebben we geprobeerd te voorzien in deze behoefte. We willen alle enthousiaste waarnemers via deze weg hartelijk bedanken. Sommige fotografen stuurden foto's van door hen waargenomen vlinders. Hiervan hebben wij dankbaar gebruik gemaakt door ze in dit artikel op te nemen. Ook hiervoor onze dank. En: blijf alert op trekvlinders, want elke waarneming telt!

 
Henk en Auke Hunneman / Verschenen in de Geaflecht van september 2003

« terug naar overzicht artikelen