Uilen in de winter


Kerkuil als winterslachtoffer (foto: Johan de Jong)

Ons klimaat verandert, de temperatuur stijgt en er zijn nauwelijks nog strenge winters. De meeste in ons land broedende uilen zijn standvogels en hebben voordeel bij zachte winters om te overleven. Ze kunnen voldoende voedsel bemachtigen. In winters met veel sneeuw (minstens 7 cm dik), zoals dat de twee afgelopen jaren het geval was of met hard bevroren sneeuw zijn funest voor een aantal soorten, zoals de Kerkuil, die alleen maar muizen eten. De meeste prooidieren brengen de winter door in diep liggende holen, waarin bij strenge, maar ook bij minder strenge vorst geruime tijd wordt geslapen. Zo zijn de muizen onbereikbaar voor de uilen. Er zijn ook soorten die zich in strenge winters gemakkelijker aanpassen door op andere prooien over te gaan zoals de Bosuil en de Ransuil dat doen. De vijf in Friesland broedende soorten brengen ieder op hun eigen specifieke manier de winter door. Hoe doen ze dat?

 

Kerkuil


Jonge Kerkuil met Veldmuis

De Kerkuil is in Friesland een echte boerderijvogel. De uil is het gehele jaar in boerderijen en vrijstaande schuren te vinden. Hij is een muizenspecialist bij uitstek, die het gehele jaar trouw blijft aan een eenmaal gekozen broedplaats en territorium. Hij kent de plaatsen waar succesvol gejaagd kan worden. Vroeger was er op de meeste plaatsen in schuren, waar graan en hooi was opgeslagen, voldoende voedsel aanwezig. Een boer vertelde dat hij toen hij twaalf jaar oud was (dertiger jaren) met zijn buurjongen in de kerstvakantie “muizenvang wedstrijden” hield: Wie had het eerst 100 muizen in de kruiwagen. Binnen een uur waren ze gevangen! Muizen waren vroeger in overvloed aanwezig in en om de boerderij. De tafel stond, ook in strenge winters, altijd gedekt voor de kerkuil. Dat is verleden tijd. Er is weinig opslag in schuren met als gevolg ook weinig muizen. Bij voedselschaarste en strenge, maar vooral sneeuwrijke winters is de Kerkuil nu zéér kwetsbaar geworden. Een hoog energieverbruik, weinig vetreserves en minder goede isolatie van het verenkleed dan bij andere uilensoorten maken hem gevoelig voor strenge winters. Na een koudeperiode met veel sneeuw in december 2009 werden na de kerstdagen meer dan 30 dode, eerste jaars Kerkuilen gemeld uit de regio Opsterland en Smallingerland. Ze waren allemaal verhongerd. Deze jonge uilen bleken niet in staat muizen te vinden. Het creëren van kunstmatige muizenhaarden in en rond de boerderij kan het aantal slachtoffers beperken.

 

Ransuil


Ransuil (jong exemplaar) foto: Johan de Jong

Ransuilen brengen de herfst en winter door op gezamenlijke slaapplaatsen (roestplaatsen) in de naaste omgeving van het broedterritorium. De grootte van de groepen kan variëren van enkele tot vele tientallen exemplaren in één boom. Nestjongen, samen met hun ouders en andere familieleden verblijven op zo’n roestplaats. De roestplaatsen liggen meestal in gunstige jachtgebieden en kunnen zich ook vlak bij de menselijke bewoning bevinden. Het natuurmuseum Leeuwarden (Harry Wijnandts) is in de winter van 2007/2008 gestart met een telling van het aantal roesten in de provincie. Oproepen via Leeuwarder Courant, Omrop Fryslân en de website van het natuurmuseum resulteerde in maar liefst 139 slaapplaatsen met in totaal 1590 Ransuilen (www.natuurmuseumfryslan.nl). In Leeuwarden zaten ruim 70 Ransuilen , verspreid over 7 roestplaatsen. In Heeg zaten 64 uilen bij elkaar. Vanuit de roestplaatsen wordt gezamenlijk gejaagd op vooral Veldmuizen. Van de meeste roestplaatsen werden braakballen verzameld door de tellers van de vogels. Analyse van de braakballen van de afgelopen drie winters leverde 21000 prooiresten op! De Veldmuis bleek met 92% de belangrijkste prooi. Op een aantal slaapplaatsen werden alleen maar Veldmuizen aangetroffen. Bij gebrek aan muizen gaan de Ransuilen over op het vangen van vogels, die meestal bemachtigd worden op hun slaapplaatsen (mussen, vinken, spreeuwen, mezen).

 

Steenuil


Steenuil

De Steenuil komt voor in het agrarische cultuurlandschap in de omgeving van mensen. Deze kleine uil kiest als roestplaats meestal rustige plekken in schuurtjes, gaten in muren, op dakbalken, tussen de dakbedekking en in holten van bomen op het erf. Het is een echte standvogel met een brede voedselkeuze. Hij pakt alles wat hij te pakken kan krijgen: insecten (nachtvlinders, loopkevers), regenwormen, muizen, ratten, kikkers, slakken, enz. Bij voedselschaarste in de winter gaat de Steenuil gemakkelijk over op kleine vogels. Het is van belang dat in de omgeving van de broedplaatsen de voedselsituatie, met name ’s winters, wordt verbeterd door b.v. de aanleg van muizenhaarden (fig.1).

 

Bosuil


Bosuil

De Bosuil is een uitgesproken standvogel, die het hele jaar in zijn territorium blijft. Gebrek aan muizen en een strenge winter met veel sneeuw vormen geen probleem voor de Bosuil. Heel gemakkelijk gaat hij over op vogels (meer dan 100 soorten!) ter grootte van een Goudhaan tot een Houtduif. De holte in een boom of een donkere plek in een gebouw geeft de Bosuil voldoende beschutting tegen de kou. In de winter bakent de uil zijn territorium af en is veelvuldig de indrukwekkende baltsroep te horen: “oeoeh-oe.hoe.oe.oe.oe.oe.oeh”.

 

Velduil


Velduil in de sneeuw

De Velduil is het minst honkvast van alle uilen. Het is een uil van het open terrein met de voorkeur voor moerasachtige gebieden, open duinlandschappen en venen. De Velduil is een zeldzame broedvogel geworden, die op de Waddeneilanden en in het noorden langs de kust nog voorkomt. Bij voldoende voedsel (vooral Woelmuizen) en in zachte winters blijft de Velduil in zijn territorium. In strenge winters trekt de weg en gaat op zoek naar goede voedselgebieden. Al vóór de winter verlaten de uilen de noordelijke streken van Europa en trekken naar het zuiden.

 
Johan de Jong / Verschenen in de Geaflecht van december 2011

« terug naar overzicht artikelen