Wat proberen kikkers ons te vertellen?

De laatste jaren worden er tal van afwijkende kikkers gesignaleerd. Niet alleen wat betreft de kleur zoals oranje, witte, gele, roze en blauwe kikkers maar ook lichamelijke afwijkingen zoals het hebben van teveel of te weinig poten. Ook lijkt het er op dat enkele soorten in een tijdsbestek van enkele jaren geheel zijn uitgestorven.
Er is schijnbaar iets grensoverschrijdends aan de gang waarover terecht grote ongerustheid is ontstaan. Kikkers worden de laatste tijd steeds meer beschouwd als milieu-indicatoren die erg snel reageren als er iets grondig mis is in de natuur.

 

Uitgestorven


Rode pad

In 1973 werd in de bergwouden van oostelijk Australië één van de beroemdste kikkers ontdekt, namelijk de zgn. 'maagbroeder' van het geslacht Rheobatrachus, dat twee soorten vertegenwoordigt. Bij deze soorten slikken de vrouwtjes hun bevruchte eitjes in die verder in hun maag tot ontwikkeling komen. De normale spijsverteringsfunctie van de maag en ook de drang tot eten worden tijdens deze merkwaardige zwangerschap door een speciale stof onderdrukt. De gemetamorfoseerde kikkertjes kruipen uiteindelijk door de bek naar buiten.
Van deze aquatiele soorten die leven in stromend water, zijn maar een zeer klein aantal dieren gezien en onderzocht. In de jaren 1980-1981 verdwenen de dieren plotseling van de aardbodem zonder ook maar een spoor achter te laten. Men vreest dat de kikkers door een nog onbekende oorzaak zijn uitgestorven.

Een andere soort die eveneens bergwouden bewoond is de beroemde Rode Pad (ook wel Gouden Pad genoemd) Bufo periglenes uit Costa Rica. Dit land is een dorado wat betreft amfibieën en reptielen. Alleen al in het bekende gebied Monteverde komen zo'n 154 soorten voor.
De mannetjes van de Rode Pad zijn fraai oranjerood van kleur, de wijfjes meer bruinachtig. De dieren komen alleen voor in het 'Monteverde Nevelwoudreservaat'. Met uitzondering van de enkele dagen per jaar dat ze te voorschijn komen om aan de voortplanting mee te doen, verblijven ze hun verdere leven in holtes tussen het wortelgestel van de bomen.
Helaas werden in 1987 de laatste dieren gezien en ondanks naarstig speurwerk zijn ze daarna niet meer gevonden. Gevreesd moet worden dat ook deze soort is uitgestorven. Ook over deze doodsoorzaak tast men nog volledig in het duister. De aantasting van de ozonlaag lijkt te ver gezocht voor dieren die zich overwegend in holtes tussen boomwortels ophouden. Wat misschien wel een oorzaak zou kunnen zijn, is de verhoogde activiteit van de nabij gelegen vulkaan de Arenal. De zure gassen die door de krater worden uitgebraakt, worden met de regen weer over de oerwouden uitgestort in de vorm van zure regen.
Een feit is echter dat er in de Monteverde de laatste tijd opvallend weinig amfibieën worden gevonden.

In de Andes in Ecuador is sinds het begin van de jaren negentig de meest talrijk voorkomende kikker, door de plaatselijke bevolking `hambata' genoemd, vermoedelijk eveneens uitgestorven. De daar werkende bioloog Luis Coloma schat dat er de laatste jaren wereldwijd zo'n dertig soorten zijn verdwenen, zonder van de oorzaak ook maar een geringste vermoeden te hebben.

 

Oprukkende schimmel

Sinds kort zoekt men de oorzaak van het verdwijnen van de kikkers in het bestaan van een pas ontdekte en nog onbekend type schimmel. Een patholoog ontdekte sporen van een organisme bij een mysterieuze huidziekte bij kikkers in een dierentuin. Bij nader onderzoek aan de Amerikaanse Universiteit van Maine herkende men het eencellige organisme van de onbekende schimmel.
De grote vraag is nu of dit eencellige organisme wel de werkelijke oorzaak is. Het kan ook zijn dat het nu pas toeslaat omdat de kikker reeds aan een opeenstapeling van ernstige milieuverstoringen is blootgesteld. Hierdoor kan de weerstand dermate zijn verzwakt dat deze schimmel de druppel is die de emmer doet overlopen.

 

Afwijkingen

Naast het plotseling verdwijnen van kikkersoorten, worden er de laatste jaren opvallend veel misvormde kikkers gesignaleerd. Bij vissen was dit al langer bekend en wordt er een verband gelegd met de lozing van schadelijke stoffen. Berucht zijn in dit geval vooral de kwikverbindingen.
De verontrustende berichten over kikkers met afwijkingen komen o.a. uit Japan, Amerika en Canada, maar ook dichter bij huis zoals bijvoorbeeld Engeland.
De afwijkingen treden vooral op in het achterlijf van de kikker waar dan teveel of te weinig poten aanwezig zijn, mismaakte poten of poten op verkeerde plaatsen. Ook kunnen ogen ontbreken of op een vreemde plaats zitten. Het meest aangetast zijn die soorten die vooral in het water leven.

Omdat er weinig langdurige studies naar amfibieën zijn gedaan is het moeilijk te achterhalen of er werkelijk een toename van afwijkingen valt te constateren. Uitgezonderd misschien de staat Minnesota in de USA, waar in 1996 een groot aantal misbaksels zijn gevonden, waarvan voorgaande jaren geen sprake was. Omdat het wel duidelijk is dat amfibieën door hun dunne en naakte huid en hun vaak dubbele levenswijze uitstekende milieu-indicatoren zijn, vinden er de laatste tijd wereldwijd vele amfibieëninventarisaties plaats, met het gevolg dat ook afwijkingen vaker worden gesignaleerd. Duidelijk is in ieder geval wel dat sinds 1994 een stijging van het aantal misvormingen te bespeuren valt.

Aangezien bij chromosomenonderzoek bij de volwassen dieren geen afwijkingen zijn gevonden, sluit men genetische oorzaken eigenlijk uit. Men vermoedt dat er reeds tijdens het ei- of larvestadium iets verkeerd gaat. Langere tijd is al gedacht aan een parasiet en ook chemicaliën blijven in beeld. Zo bleek in een poel met flink wat pesticiden 12% van de kikkers misvormd, tegen 1 tot 2% in betrekkelijk schone gebieden.

 

Stralingsgevaar?

Een uitputtend onderzoek naar afwijkingen bij kikkers is bij mijn weten in Nederland nog nooit uitgevoerd. Wel heeft de specialistisch bioloog dr. Dick Hillenius in 1975, toen verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, geëxperimenteerd om er achter te komen welke uitwerking radioactieve straling op kikkereitjes had. Dit naar aanleiding van de vondst in dat jaar van talloze mismaakte kikkers en hun bijna volgroeide larven in een slootje in Amsterdam. In dit slootje loosde het toenmalige Instituut voor Kernfysisch Onderzoek in die jaren vermoedelijk haar afval.
De afwijkingen betroffen vooral de ledematen van de kikkers. Zo hadden veel dieren teveel vingers aan de handjes en teveel tenen aan de voetjes (polydactylie). Bij sommige ontbraken de armpjes en zaten de handjes op softenon-achtige wijze aan het lichaam vast en werden dieren gevonden met meerdere achterpoten.
Hoewel dr. Hillenius altijd overtuigd is geweest dat radioactieve straling de oorzaak van de afwijkende Amsterdamse kikkers is geweest, is een bewijs nooit geleverd. Directie en medewerkers van het Instituut voor Kernfysica voelden zich vooral gesteund door de uitspraak van de Fransman Jean Rostant, die gespecialiseerd was in afwijkingen bij kikkers, en die verkondigde dat dit soort van afwijkingen wel vaker voorkwam, zelfs op plaatsen waar van stralingsgevaar geen sprake was.

Dat dit laatste inderdaad een feit is ontdekte ik in 1990 toen ik me bezig hield met het opkweken van kikkers. In juli van dat jaar werd namelijk in Friesland groot alarm geslagen omdat men meende de Amerikaanse Brulkikker (Rana catesbeiana) in een vijver aan de Parklaan in Franeker te hebben ontdekt. Een potje met meerdere klompjes dril werd toen door mij meegenomen en thuis op een zolderkamer uitgebroed. Van de vermeende Brulkikker was echter geen sprake. Alle geboren kikkertjes behoorden tot onze inheemse groene kikker.
Wat bleek echter wel? Tussen de opgroeiende kikkerlarven zaten enkele misbaksels met dezelfde afwijkingen als toen in Amsterdam. Bij sommige diertjes waren de achterpootjes vergroeid, hadden ze handjes met zes in plaats van vier vingers, voetjes met zeven in plaats van vijf tenen, ontbraken de armpjes en zaten de handjes direct tegen het lichaam, terwijl bij één exemplaar zelfs vier voetjes aan de achterste ledematen zichtbaar waren.

 

Kleurafwijkingen


Albino kikkers

Tot voor kort waren albinistische kikkervondsten in ons land vrij zeldzaam. Slechts twee meldingen waren tot 1995 bekend. Beide keren betrof het een mannelijke Bruine Kikker. Eén werd in 1947 in het Noordhollandse Koedijk ontdekt, terwijl de andere melding een dier betrof dat in 1990 in een plantsoen in Den Helder werd gevonden.

Dit veranderde plotseling in 1995. In Friesland kwamen in dat jaar vier meldingen binnen, terwijl uit de rest van het land ook nog eens negen gevallen van albinisme werden gesignaleerd. Ook in omringende landen zoals buurland België, maar vooral ook in Engeland deed dit verschijnsel zich voor. Het betroffen hier steeds zowel bruine als groene kikkers.
Albinisme kent twee oorzaken en wel het ontbreken van het enzym tyrosinase of het ontbreken van melanocyten. Zodra er een storing optreedt in de productie van tyrosinase - een noodzakelijke katalysator voor de pigmentvorming - dan wordt er in het geheel geen pigment aangemaakt. Deze totale pigmentloosheid wordt albinisme genoemd en heeft een genetische grondslag. Afwezigheid van melanocyten (pigmentcellen) kan plaatselijk (partieel) optreden. In sommige delen van de huid kan het pigment ontbreken, terwijl het in andere gedeelten wel aanwezig is. Bij partiële albinisme worden als oorzaken o.a. omgevingsinvloeden en zelfs een virus genoemd.
Albinokikkerlarven komen onder normale omstandigheden zelden tot wasdom. Om te groeien hebben de larven behalve veel voedsel, nogal wat warmte nodig. Normaal gepigmenteerde larven hebben geen moeite om met hun donkere huid de warmte te absorberen. Bij albinolarven ligt dit een stuk moeilijker. Dat er in 1995 zoveel albino's zijn ontdekt ligt vermoedelijk aan de voorafgaande fraaie zomer. Sommigen gaan zelfs verder en schrijven dit fenomeen toe aan de geleidelijke opwarming van de aarde, het zgn. broeikaseffect.

In 1997 kwamen er plotseling zes meldingen binnen van blauwgekleurde groene kikkers en in 1998 werden zelfs negen exemplaren gezien. De pigmenten geel en blauw geven samen de groene kleur aan onze 'boerennachtegaal'. Door een genetische afwijking ontbreekt in dit geval de factor geel, waardoor de kikker blauw kleurt. Voor eerdere meldingen van blauwgekleurde groene kikkers moest in de literatuur maar liefst 45 jaar terug worden gegaan.

 

Conclusie


Blauwgroene kikker

Een duidelijke oorzaak aan te wijzen voor bovengenoemde afwijkingen bij kikkers is vooralsnog niet mogelijk. Het is te hopen dat we de waarschuwing die de kikkers voor ons in petto hebben binnen afzienbare tijd op de juiste wijze kunnen interpreteren en dat er op de juiste wijze naar wordt gehandeld. Als het voor kikkers onleefbaar is geworden op onze aarde, zullen de gevolgen voor het mensdom op den duur ook niet uitblijven.
Onderzoeken zijn volop in gang. Met name in Amerika is o.a. een onderzoek gaande naar het synthetische hormoon methopyreen, dat vanaf het midden van de jaren tachtig in zwang raakte om te voorkomen dat muskieten volwassen zouden worden en om vlooien bij honden en katten te bestrijden.
In de Cascade Mountains in Oregon bestudeert o.a. dr. Andy Blaustein de invloed van de ultraviolette stralen op kikkers. Men kwam op de ultraviolette-hypothese omdat de omgeving wat betreft aanwijsbare vervuiling onaangetast is. De invloed van de zon wordt hier op dikkopjes getest. Voor sommige soorten schijnt inderdaad het gat in de ozon zijn tol te eisen.
Ook het parasietenonderzoek is zeker nog niet afgerond en een grondige analyse van het water zal steeds nodig zijn.

 
Jelle Hofstra / Verschenen in de Geaflecht van juni 1999

« terug naar overzicht artikelen