Wegbermen

Wanneer u deze zomer weggebruiker bent, zult u ongetwijfeld een blik werpen op de groene strook naast de weg. Wat uw ‘blikvanger’ ook moge zijn, wij hopen dat de verscheidenheid aan bloeiende planten uw aandacht zullen trekken. Zonder de andere weggebruikers in gevaar te brengen natuurlijk!

 

Wijkplaats voor wilde planten


Berm met Boterbloemen

Wegen en wegbermen zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden en zijn niet weg te denken uit ons huidige landschap dat steeds aan veranderingen onderhevig is.
Als deze wegbermen op de juiste manier beheerd worden, kunnen vele planten een geschikt plekje vinden en houden. Er zijn ongeveer 450 verschillende soorten planten die in onze Nederlandse wegbermen voorkomen.
Dat is eenderde van alle plantensoorten die totaal in Nederland voorkomen. Dat zegt natuurlijk wel wat! In de streken waar het cultuurland overheerst vind je 'alleen' nog langs de wegen de volledige verzameling planten uit die streek. In die gevallen spreekt men over 'refugium', of wel een wijkplaats voor wilde planten. Wanneer planten verdreven worden van hun oorspronkelijke groeiplaatsen dan betekent dat ook een bedreiging voor een aantal levende dieren. Zoals de insecten en met name vlinders die een sterke verbondenheid hebben met specifieke plantensoorten. Hetzelfde geldt ook voor een bepaald aantal kleine zoogdieren en veel kleine bodemdiertjes.
Als we het over wegbermen hebben in Nederland, dan praten we wel over ca. 48.000 ha., een oppervlakte ter grootte van de Noordoostpolder. Gemeenten beheren hiervan ca. 50 procent, het rijk ca. 30 procent en provincie en waterschappen ca. 10 procent.

 

Goedkoper in onderhoud


Oude schudder tussen de Boterbloemen

De bermen werden begin deze eeuw ongewild 'ecologisch' onderhouden. Meestal waren de wegbermen verpacht aan boeren die het bermgras als hooi gebruikten. Iedere boer maaide wanneer hem dat het beste schikte. Hierdoor ontstond veel verschil in aanzicht en plantensoorten. Bemest werd er meestal niet, waardoor de bermbodem langzaam verschraalde (het gras of hooi werd ook afgevoerd). Waar verschraling van grond optreedt, neemt het aantal plantensoorten toe.
Veranderingen in de landbouw na 1950 doen de belangstelling van de boeren voor bermhooi snel afnemen. Bovendien verontreinigde het gewas steeds meer door het toenemen van de verkeersdrukte. Als veevoer werd het dus ongeschikt.
Het een en ander betekende wel dat de overheid steeds meer zelf het onderhoud aan wegbermen moest verrichten, terwijl aan de andere kant ook inkomsten wegvielen. Dat gaf aanleiding te zoeken naar goedkopere manieren van onderhoud. Technisch gezien is het belangrijk dat een gesloten plantendek aanwezig is. Open plaatsen kunnen door regen en wind aangetast worden (erosie) en tot gaten of erger leiden.
Dit had tot resultaat dat men de berm ging behandelen als een gazon. Men ging vaker maaien en het maaisel liet men liggen. Door het laag en vaak maaien komen kruiden moeilijker in bloei en tot zaadvorming. Het blijven liggen van maaisel verrijkt de bodem steeds meer, wat de grasproductie ten goede komt. Beide oorzaken leidden tot bermen met een nagenoeg gesloten grasmat. Ook werden de bermen met chemische middelen bespoten zoals onkruidbestrijder en groeiremmers. Gelukkig is dit nooit massaal toegepast.

 

Fleuriger aanzien

In de zestiger jaren komt, met het algemeen groeiende milieubesef, opnieuw verandering in het wegbermbeheer. Natuurbeschermingsgroepen wilden wel verandering in het saaie monotone grasuiterlijk langs de weg. Van overheidszijde ging men zoeken naar een wat fleuriger aanzien en lagere onderhoudskosten. Hiermee werd de basis gelegd voor het tegenwoordige bermbeheer. In de loop van de tijd zal dit naar ervaring en inzicht bijgeschaafd worden.
De principes zijn in beginsel zeer eenvoudig:

 

  • Door afvoer van het maaisel wordt de bodem verschraald en neemt de productie af. Hierdoor kan het aantal maaibeurten verminderen.
  • Het tijdstip van maaien wordt afgestemd op de bloeitijd van de belangrijkste voorkomende kruiden, zodat pas na de zaadvorming gemaaid gaat worden. 

 

Voor rijkswegen en provinciale wegen zijn hiervoor maaischema’s opgesteld. Het toepassen van die schema’s heeft inderdaad tot een kleurrijker uiterlijk geleid. Of dit bermbeheer ook kostenbesparend is blijft nog wat onzeker. De toekomst zal dit uitwijzen als na 5 à 10 jaar op deze wijze onderhoud gepleegd wordt. Door het beheer niet overal op dezelfde manier uit te voeren, wil men proberen het aantal plantensoorten te vergroten. Belangrijk hierbij is een eenmaal gekozen beheersvorm, meerdere jaren voort te zetten.
Het afvoeren van het maaisel en de bestemming hiervan is nu een punt wat problemen geeft. Het maaisel wordt afgevoerd naar vuilstortplaats of vuilverbrandingsoven. De kosten hiervan worden steeds hoger. Men is naarstig op zoek naar andere vormen van gebruik of vernietiging. Als veevoer is het ongeschikt. Proeven met het composteren voor energiewinning (vergisten) tonen aan dat dat goede mogelijkheden schijnt te hebben.

 

Van nature voorkomende planten


Klavers in gras

Het moment van maaien is vaak bepalend voor het in stand houden van de gewenste planten.
Als rolklaver in volle bloei kort gemaaid wordt, zal de rolklaver het jaar erna slecht terugkomen. Dat is jammer, want voor vele steenhommels en rupsen van blauwtjes is rolklaver dè voedselplant.
Als men in de zomer, op vruchtbare bermen, een bloei wenst van wilde peen en bereklauw dan zal er in de eerste helft van juni gemaaid moeten worden. Dat gaat dan ten koste van de boterbloem en veldzuring. De meeste paardebloemen hebben dan al lange tijd de berm kleur gegeven. De paardebloem is voor vroege insecten onmisbaar als voedselbron. U heeft misschien de overwinterende kleine vossen en dagpauwogen van de paardebloem nectar zien snoepen.
Waar het fluitekruid fleur geeft aan de bermen, kan het maaien wachten tot deze bloemenpracht uitgebloeid is. De eveneens bloeiende boterbloem en smeerwortel zorgen voor een afwisselende omlijsting.
In de zomer nemen vooral na het maaien de gele composieten de plaats in van het fluitekruid. Dit zijn bijvoorbeeld herfstleeuwetand, kleine leeuwetand (voorheen thrincia), diverse streepzaadsoorten, gele morgenster en biggekruid. In september wordt doorgaans nogmaals gemaaid. Soms is het tijdstip wat vroeg gekozen en dan is de berm de rest van het jaar zonder enige kleur.
Op van nature schrale zandgronden hoeft het maaisel niet altijd te worden afgevoerd. Het biggekruid bijvoorbeeld, een op schrale zandgrond voorkomende plant, is met haar bladrozetten een zware concurrent voor de grassen. Doordat de bladrozetten vlak tegen de grond aan liggen, zorgt biggekruid voor weinig maaisel. Wel moet er dan al zeer vroeg (in mei) gemaaid worden, anders zal de bloei meestal veel minder of niet voorkomen.
In schrale bermen zien we 's zomers duizendblad, boerenwormkruid, knoopkruid, st. janskruid en verschillende soorten havikskruiden bloeien. Duizendblad groeit op droge plaatsen en is voor insecten een langdurige voedselbron.
Duizendblad, muizeoortjes e.d. geven maar weinig strooisel zodat men zich de vraag stelt of het nodig is, deze bermen wel te maaien. Maar, in dat geval kunnen zich bomen en struiken gaan vestigen (bijvoorbeeld vuilboom) waar vlak langs de weg tegen opgetreden moet worden.
In juni en augustus hoeft er bijna nergens gemaaid te worden zodat wij in deze vakantiemaanden volop kunnen genieten van de bloeiende planten en naar nectar of stuifmeel zoekende insecten.
U merkt wel dat aan het beheren van wegbermen nogal wat aspecten kleven, waar u zo op het eerste gezicht waarschijnlijk niet over nagedacht hebt.
De overheid probeert, naast de verkeersveiligheid, blijvende gedegen wegconstrucies en het in de hand houden van de onderhoudskosten, het publiek meer en meer een zo afwisselend mogelijke aanblik van de berm te geven met 'gewone', hier van nature voorkomende, planten.

 
Verschenen in de Geaflecht van juni 1984

« terug naar overzicht artikelen