Vogels

Vogels van Opsterland

In de weilanden rondom Gorredijk komen nog wel weidevogels voor. Wilt u in Opsterland bosvogels zien, dan moet u in de bossen rondom Bakkeveen, Beetsterzwaag, Lippenhuizen en Hemrik zijn. Roofvogels komen in de hele gemeente gelukkig steeds meer voor, hoewel ook hier helaas veel roofvogels gedood worden. Als u watervogels wilt zien, kunt u het beste eens een kijkje gaan nemen bij de vogelkijkhut bij De Deelen.



Weidevogels

Kievit (Ljip)


Foto: Luc Hoogenstein
algemeen

In een kuiltje in het gras liggen vier kievitseieren. Goed gecamoufleerd, zodat ze nauwelijks opvallen. Ze zijn zo’n 4,5 cm groot. De kievit is 28-31 cm groot. In verhouding is een eitje eigenlijk best groot. Dat heeft een reden, zoals alles in de dierenwereld een reden heeft. Kievitkuikens zijn zodra ze uit het ei kruipen op zichzelf aangewezen. Deze zgn. nestvlieders komen meestal uit een groter ei met 32% dooier. Eieren van vogels die naakt en hulpeloos uit het ei komen bevatten 20% dooier. Een gele dooier is de voedingsbron voor een embryo om tot kuiken uit te groeien. De witte vloeistof er omheen én de harde eierschaal dienen ter bescherming. Aangezien de kievitkuikens eenmaal uit het ei gekropen meteen mobiel zijn, moeten ze wel tot dat nivo zijn ontwikkeld. In datzelfde kader is het nest slechts een kuiltje, zodat het jong er gemakkelijk uit kan lopen. De kleintjes gaan nadat ze zijn opgedroogd op zoek naar niet-vliegende insecten(spinnen, slakjes). Na twee weken zijn ze toe aan het eten van regenwormen. Ze hebben meteen de grote-kievit eetgewoontes : stukje lopen, stilstaan en luisteren, eten, stukje lopen, stilstaan, luisteren en eten. Kieviten eten eigenlijk met hun oren; ze kunnen nl. de regenwormen horen die onder en uit de grond kruipen. De ouders zijn als wakende wachters voortdurend in de buurt en verjagen met veel kabaal vijandelijke vogels. Bovendien kan het kuiken zichzelf niet goed warm houden, ze kruipen dan ook regelmatig onder de vleugels van pa of ma.

In deze eerste weken zijn er meteen al vele gevaren voor de kuikens. De ouders kunnen hun kuikens goed beschermen voor de gevaren die bij de dierenwereld horen: voedselvoorziening, warmte, of predatoren. Is er bijvoorbeeld een aanval van een roofvogel dan beschikt de kievit over een groot arsenaal aan afleidingsmanoeuvres. Veel kabaal maken, vliegcapriolen en duikvluchten op de vijand, of op de grond net doen alsof je een kapotte vleugel hebt en daarmee de vijand weglokken van het nest. Maar kievitouders hebben ook te maken met overstijgende gevaren, zoals het eieren zoeken en rapen, het veranderende landschap en daardoor een gebrek aan voedsel. Eén gevaar is inmiddels opgeheven: het rapen van kievitseieren. Dit is landelijk verboden en in Friesland alleen een bepaalde periode toegestaan mits het eerstgevonden ei blijft liggen, het verbod op eieren zoeken meteen daarna in die gemeente van kracht is, de vinder iemand is met een geldige eierzoekkaart en die bereid is aan nazorg (bv. aanbrengen van nestbescherming) te doen.

Het andere gevaar is moeilijker te hanteren: de bedreigde leefomgeving. 

De wisselwerking tussen de bewerkers van het land, de boeren en de consument die goedkope producten wil zorgt voor een verwrongen balans. Net als andere weidevogels dreigt ook de kievit hiertussen te worden vermorzeld. Tot in de jaren 1990 waren er veel kieviten in ons land. Daarna is de hoeveelheid kieviten met 40-50% afgenomen. In de periode 2013-2015 zijn er in ons land 110.00-160.000 broedparen geteld (sovon) . Deze halvering is met name te zien aan het aantal kievitkuikens die minder kans hebben om te overleven. Uit diverse wetenschappelijke onderzoeken blijkt steeds weer dat intensieve landbouw, lage waterstand, predatie en verstedelijking de belangrijkste oorzaken zijn. De kievit is europees gezien een kwetsbare vogel op de rode lijst (IUNC). In het kielzog van zijn mede-weidebewoner de grutto, profiteert de kievit hopelijk ook van de reddingsplannen die het tij willen keren.

Vroeg in het jaar, soms al rond half februari, komen de groepen kieviten ons land weer binnen vliegen. Er zijn kieviten die hier blijven wanneer de winter zacht is. De kievit heeft een hekel aan kou en zodra het gaat vriezen gaan ze een plekje in Engeland of Frankrijk zoeken. In maart zijn ze echter massaal aanwezig in Nederland. Man kievit maakt boven zijn verkozen territorium spectaculaire buitelende vluchten om de aandacht van een vrouwtje te trekken. Hij maakt vele kuiltjes in de grond en het vrouwtje kiest er een geschikte uit om als nest in te richten. Dat heeft niet zoveel om de hakken, een paar grashalmen of blaadjes en klaar is ze. Na de paring begint ze vlot met eieren leggen. Binnen vijf dagen tijd heeft ze vier eieren gelegd. Zowel man als vrouw broeden. Dat zie je meestal bij vogels die kwa uiterlijk nauwelijks van elkaar verschillen. Dan maakt het voor de camouflage weinig uit wie er op het nest zit. Ze doen er ongeveer 27 dagen over en dan komen de kuikens uit het ei. Alhoewel ze zelf hun kostje bijeen scharrelen, blijven ze nog een dag of 40 in de buurt van de ouders.

Na het broedseizoen zoeken de kieviten elkaar weer op en maken zich klaar voor de grote trek naar warmere streken. Dat gebeurt op verschillende tijdstippen. Kieviten die dat jaar niet hebben gebroed gaan al half mei naar het zuiden. Dat zijn vaak de ouderen die graag warm overwinteren. De jongeren gaan vanaf juni op trektocht. Waarschijnlijk gaan ze eerst een plekje om te ruien zoeken voordat de echte wintertrek begint. Intussen komen hier ook de noordelijke kieviten fourageren en rusten, zodat je in oktober-november wel een miljoen kieviten kunt aantreffen. Afhankelijk van het weer vertrekken ze naar warmere plekken, de vorstgrens volgend. Kieviten kunnen op een hoogte van 1800 meter vliegen. Aangekomen in zuidelijk Europa of noord Afrika wacht de kievit een nieuw gevaar: hier worden ze bejaagd. Ondanks hun status van kwetsbaar zijn de bedreigingen overal aanwezig en neemt het aantal kieviten wereldwijd af.

Maar ieder voorjaar horen we ze weer dapper terugkeren in de weilanden, beschermd of niet. Deze van oorsprong steppe vogel heeft zich zo goed mogelijk aangepast aan onze omgeving. Zijn natuurlijke behoefte om in open vegetatie en vochtige gronden te leven, vertaalt zich hier naar de maisakkers, de bloemrijke graslanden die er zijn, duingebieden, moerassen en hoogvenen. 

Nu zijn wij aan zet.


Meer over de Kievit:
naar top van pagina

Kemphaan (Hoants)


Foto: Mark Zekhuis
zeldzaam

Het is wel een stel hoor, die kemphanen. Het vrouwtje (kemphen) ziet er wat gewoontjes uit, als een doorsnee steltloper. Haar taak is de voortplanting te regelen en volbrengen. Ze heeft niet zoveel behoefte aan uiterlijk vertoon, dan val je alleen maar op. Maar meneer de kemphaan is van een ander kaliber. Een opvallende dandy, protserig met zijn enorme kraag in de weer. Dat heeft hij allemaal nodig tijdens de balts om zoveel mogelijk vrouwen op zijn stukje grond te lokken. De mannen hebben zich verdeeld in drie types: de honkmannen, satellietmannen en faren. Honkmannen zijn honkvast. Ze bezitten in het baltsgebied een eigen stukje grond. Daar moet het gebeuren! Ze staan wel toe dat de satellietmannen in dat gebied komen. Dat is puur eigenbelang, want de satellieters hebben opvallende witte kragen en dat trekt weer meer vrouwen aan. De satellietmannen zijn meestal jonge kemphanen zonder eigen territorium. En dan zijn er nog de faren. Een klein groepje kemphanen wat een beetje tussen wal en schip valt. Het zijn geen mannen en geen vrouwen. Ze zien eruit als vrouwtjes maar hebben mannelijke geslachtsorganen. Ze zijn vrij zeldzaam.

Het baltsritueel is een bijzonder schouwspel. De kemphanen verzamelen zich vaak op baltsplekken waar ze eerder vertoefden. Zo’n baltsgebied wordt ‘lek’ genoemd. Naar het zweedse woord Lek, wat spel betekent. Kemphanen zijn tijdens de balts kort en hevig territoriaal . Eerst vechten ze om de beste positie te verkrijgen en hebben ze zo’n honk dan gaan ze helemaal los. Het honk is niet groter dan 30-60 cm doorsnee, het gras is meestal afgesleten van het vele vechten. De honken bevinden zich vrij dicht naast elkaar, zodat de kemphanen alles op alles zetten om hun eigen honk te verdedigen. Zoals gezegd laat de honkman wel de satellietkemphanen het terrein betreden. De vrouwtjeslokkers zijn ook niet dom, dus als de honkman in een knokpartij bezig is, paren ze snel met een vrouwtje wat komt kijken naar de stoere mannen. De vrouwtjes komen trouwens alleen maar om te paren en het liefst kiezen ze dan een dominante kemphaan met mooie donkere veren. Kemphennen laten zich door meerdere kemphanen dekken en de mannen op hun beurt houden het ook niet bij één vrouw. Er is dan ook geen kemphaan gelijk qua verenkleed. Allerlei kleurschakeringen komen voor; bruinen, witten, zwarten, oranje, roodbruin, noem maar op en je vindt het ergens in een verenpak.

Het hennetje kiest na de paring een plekje uit binnen 500 meter van de baltsplaats om een nest te maken. Een simpel kuiltje in het gras, verstopt onder riet of oeverplanten en met wat nestmateriaal bekleed. Vrouwtje kemphaan staat er nu alleen voor. Ze legt meestal 4 bleke, olijfgroene eitjes in mei of begin juni. Na drie weken broeden komen de kuikens uit het ei. Het zijn nestvlieders, ze gaan dus meteen in de benen. Moeder voert de eerste dagen insecten aan haar kroost en daarna gaan ze zelf hun kostje opscharrelen. Maar de kemphen is één en al zorg. Ze beschermt haar kuikens die letterlijk en figuurlijk nog onder haar vleugels blijven tot ze zelf kunnen vliegen. Dat is na ruim drie weken. Als teken dat het tijd is om het ouderlijk nest te verlaten gaat de kemphen vlak daarvoor zelf weg en laat de jonge kuikens achter. Dan begint voor hen het leven van fourageren, trekken, en voortplanten.

Een aantal decennia geleden konden we in Nederland van bovengenoemde taferelen genieten. In 1950 broedden er nog 6000 paren, in 1980 was dat teruggelopen tot 800-1100 en in 2002 werden er 120 broedparen geteld. Daarna ging het snel, in 2012 waren er nog 4 broedparen en heden ten dage incidentele paartjes. Het hele jaar zijn er wel kemphanen en hennen te zien, maar het balts- en broedgebeuren vindt hier nauwelijks meer plaats. De kemphanen broeden in een groot deel van Noord Europa en Siberië op de arctische toendra’s. Ze overwinteren in de warme gebieden van Afrika, Azië en zelfs Australië.

Er zijn weinig geschikte plekken in Europa te vinden voor de kemphanen om tot broeden te komen. Wat ze nodig hebben zijn zeer natte, nauwelijks gebruikte graslanden en veengebieden. Binnen Nederland zijn die zeldzaam en enkel in natuurreservaten te vinden. In Friesland zijn een aantal kemphaangebieden langs de IJsselmeerkust, rond de meren en het Lauwersmeer. Toen de kemphanen verdwenen uit Nederland als broedvogel, was dat in het begin van de grote teloorgang van de weidevogels. De kemphaan was een soort klokkenluider, slechts weinigen hoorden die klok luiden. Er worden de laatste jaren geschikte plekken ingericht, er zijn nieuwe gebieden ontwikkeld met natte omstandigheden in het voorjaar, zoals in Groningen. En dan zie je dat er toch weer kemphanen en hennen zich vestigen en er voorzichtige broedpogingen zijn. In Nederland waren er in 2015 15-30 broedparen (Sovon), een breekbare vooruitgang.

Desondanks is er wel kans de kemphaan in al zijn pracht te zien. Tijdens de trek in het voorjaar zijn er, met name in Friesland, rond de 10.000 kemphanen te zien (Sovon, 2017). Voor de goede orde: vóór 2000 waren dat er 50.000. De kemphennen vliegen meestal meteen door naar hun overwinteringsgebied. De doortrekkende kemphanen komen in april-mei in ons land fourageren. Dat is meteen het pijnpunt. Want het aantal doortrekkers vermindert langzaam maar zeker. Tellingen in Oostelijke landen tonen aan dat de meeste kemphanen hun route hebben verlegd naar die regio. Via Oost Europa vliegen ze naar het westen van Siberië om daar hun geluk te beproeven. Simpel om het feit dat hier in Nederland te weinig voedsel beschikbaar is in de verdroogde, verschraalde graslanden en nauwelijks geschikte broedgelegenheid.

Alle reden om de soort op de rode lijst te plaatsen. Dat is ook gebeurd met als aantekening: ernstig bedreigd. Veel initiatieven om de weidevogels te redden raken ook het welzijn van de kemphaan. Deze schitterende dandy verdient zijn plek terug in Nederland.


Meer over de Kemphaan:
naar top van pagina

Grutto (Skries)

Grutto
Grutto
Sterk afnemend

Ieder jaar vertrekken ze uit West Afrika om naar het noorden van Europa te vliegen. Een aloude wijsheid vertelt hen dat daar de ideale plekken zijn om kuikens te krijgen, om de soort in stand te houden. In Nederland schijnen zelfs de meest perfecte omstandigheden te zijn: natte weidegebieden met veel kruidenrijk gras waar talloze insecten leven. De grutto onderneemt instinctief deze reis. Immers, hun levensdoel is zich voortplanten. Wanneer je naar de grutto kijkt, zie je welke omgeving het best bij ze past. Hun lange snavel met gevoelige punt is geschikt om in de grond te boren, op zoek naar voedsel. Die bodem moet dan wel vochtig zijn, anders lukt het natuurlijk nooit om in de grond te peuren. In combinatie met de lange poten kunnen ze effectief fourageren. Een vliegende grutto is een prachtig beeld: de afstand van de snavelpunt tot de vleugels is even lang als de afstand van de tenen tot de vleugels. Een vogel in balans, gemaakt om te vliegen

Na een lange reis komen ze rond half februari-maart aan in ons land. Net nog een staartje van de winter mee pikkend maar met de lenteboodschap in hun hele wezen. De roep die klinkt over de weilanden, het ‘grutto---grutto’’is voor velen een mooi voorjaarslied. Met name in Friesland komen ongeveer 90% van alle grutto’s om te broeden. Dat is nogal een verantwoordelijkheid voor de mensen die daar wonen. Immers, een ieder weet dat het niet goed gaat met het aantal grutto’s.

In 2012 schrok men wakker en werd duidelijk dat er iets moest gebeuren. Want anders verdween de grutto uit ons leven. Talloze concepten werden bedacht, prachtige initiatieven kwamen boven drijven. Mensen kochten in de winkels producten om de weidevogels te steunen, naarstig werden er ideale plas-dras gebieden aangelegd. De grutto werd zelfs in 2015 uitgeroepen tot nationale vogel. En er werd gepraat, vooral gepraat. En geschreven. Boeken, lezingen, rapporten, onderzoeken. Professoren, wetenschappers, boeren, natuurliefhebbers en zelfbenoemde deskundigen, ze buitelden over elkaar heen om de juiste aanpak te bedenken. Van 2003-2005 werd Nederland Gruttoland uitgeroepen. Later werd de grutto de ‘koning van de weide’ . Het laatste product is het Aanvalsplan Grutto. Maar de harde realiteit is dat er in 2020 nog nooit zo weinig kuikens zijn blijven leven. De grutto’s vertrokken in de herfst weer naar West Afrika, maar niet met in hun gezelschap vele jonge grutto’s die deze reis voor het eerst zouden maken.

Wat is het eigenlijk voor vogel, waarom staat juist deze vogel symbool voor de teloorgang van onze weidevogels? De grutto broedt vrijwel alleen in Nederland. Hij wordt gezien als indicatiesoort voor vele milieufactoren. Het is een gevoelige vogel. Gaat het slecht met de grutto, dan gaat het slecht met de natuur in zijn leefgebied.

Hoe gastvrij zijn wij voor de grutto? Eenmaal aangekomen in ons land zoeken de grutto’s in groepen naar geschikte plas-drasgebieden om op krachten te komen. Die gebieden zijn te vinden in zuid-west Friesland, Noord-Holland, het deltagebied en het groene hart in de randstad. In de natte graslanden zijn de wormen makkelijk te vinden. Rond april valt de groep uiteen en zoeken de grutto’s hun bekende broedgebieden op. Graag in bloemrijke weilanden met een hoge grondwaterstand. Onze gastvrijheid is echter de afgelopen decennia geminimaliseerd. De intensieve veeteelt met grote kavels monotoon gras deed de geschikte broedplekken inkrimpen. Die zijn nu nog te vinden in natuurreservaten en bij boeren die hun bedrijfsvoering in het teken van de weidevogels hebben gezet. Verder wordt er vroeger in het seizoen én meerdere keren gemaaid. Tegen de grote machines zijn de grutto kuikens niet opgewassen. En er kwamen meer predatoren die het steeds makkelijker kregen. Ze hoefden immers nog maar op een klein stukje weiland te jagen, een snackbar vol voedsel.

Er is gelukkig beweging in de redding van de grutto. Of dat voor de kuikens op tijd komt is nog maar de vraag.  Teveel sterven door gebrek aan voedsel, door predatoren of door werkzaamheden op het land.

Een grutto stel blijft elkaar trouw. Toch maakt het mannetje iedere lente weer een uitgebreide baltsvlucht en tuimelt door de lucht om het vrouwtje te behagen. Na de paring zoeken ze op droge grond een plek voor het nest. Het vrouwtje is behendig in het maken van een kuiltje wat zo onzichtbaar mogelijk in het gras ligt. De hoge grassprieten vouwt ze over het nest. Er worden vier eitjes gelegd en bebroed. Zowel man als vrouw broeden, netjes om de beurt. Na 23 dagen komen de kuikens uit het nest. Binnen een dag trippelen ze al in de buurt van het nest rond, op zoek naar eten. Ze moeten zelf hun kostje bij elkaar scharrelen want de ouders voeren hen niet. Die zorgen er wel voor dat de kuikens op een plek komen waar zoveel mogelijk insecten zijn. Ouders beschermen hun kroost goed en staan voortdurend op de uitkijk. In de nacht en bij gevaar duiken de kuikens onder de vleugels van pa of ma. In de weken die volgen groeien de kleintjes als kool. Na vier weken zijn ze vliegvlug en mengen zich meer en meer tussen andere kuikens. De jonge grutto’s trekken vervolgens als groep met elkaar op. Wanneer de volwassen grutto’s in juni-juli al aanstalten maken om naar hun winterverblijf te vliegen, blijft deze jonge groep nog zeker een maand langer om sterk genoeg te worden voor de grote trek. In augustus is het hun beurt om naar West-Afrika (Senegal, Guinnee Bisseau) te vliegen. In het overwinteringsgebied past de grutto zich aan aan het voedselaanbod en wordt grotendeels vegetariër. Grutto’s leven daar in de modderige oevers bij rivieren en eten van de rijstkorrels die blijven liggen op de traditionele rijstvelden. Maar ook daar staat de gastvrijheid onder druk. Omdat de grutto's steeds vroeger komen (in het noorden is er het voedsel op) gaan ze fourageren op de rijstvelden die pas zijn ingezaaid. Een ongewenste ontwikkeling voor de boeren in die regio.  De jonge grutto’s blijven een jaartje in dit gebied alvorens ze meedoen aan de jaarlijkse trektochten naar en van het noorden.

En in datzelfde noorden werken veel mensen hard om de leefomstandigheden voor de grutto te optimaliseren. Het kost echter veel moeite om dit voor elkaar te krijgen. Zoals de grutto zijn leefwijze heeft, zo hebben de menselijke bewoners in de broedgebieden dat ook. Het effect van de teruggang van de grutto is wereldwijd zichtbaar, omdat de meesten hier in ons land broeden.

De grutto blijft hier komen, dat vertelt zijn instinct hem. En wij blijven deze prachtige weidevogel ontvangen, dat vertelt ons instinct. Maar voor hoelang nog?


Meer over de Grutto:
naar top van pagina

Gele kwikstaart (Giel Boumantsje)

Gele kwikstaart
Gele kwikstaart
Rode lijst soort

Geel is een typische lentekleur. Speenkruid, paardenbloem, narcis, krokus, boterbloem, wat is er veel van deze zonnige kleur in tuin en veld te vinden. En wat is het dan mooi dat daarin de gele kwikstaart eigenwijs wippend met zijn staart rond wandelt. Weilanden met veel bloemen zijn hier en daar te vinden, maar te weinig voor de gele kwikjes. En als ze in mei gaan broeden, komt de maaiende boer al rap het eerste, rijke voorjaarsgras maaien. De gele kwikstaart heeft hier een oplossing voor gevonden en broedt nu ook tussen gewassen op bouwland. Tarwevelden zijn populair. Daar zijn echter weinig insecten te vinden wat het hoofdvoedsel van de gele kwikstaart is. Dus heeft hij toch weer die vochtige, kruidenrijke weilanden nodig om zichzelf en de jonge kuikens te voeden. De gele kwikstaart leeft in dezelfde gebieden als andere, bedreigde weidevogels. Derhalve staat hij op de Nederlandse rode lijst als ‘gevoelige soort’ beschreven. In ons land neemt het aantal gele kwikstaarten gestaag af. Wereldwijd zijn er nog veel plekken waar ze wel terecht kunnen, maar de indruk bestaat dat een mondiale afname doorzet. De gele kwikstaart profiteert gelukkig van de initiatieven in ons land om de weidevogels te beschermen. Alle beetjes helpen. (bron: vogelbescherming)

Wat heeft deze zomergast nodig voor een goed broedresultaat?

’s Winters verblijft de gele kwikstaart in Afrika, in de Sahel. Dit gebied blijkt geen zekere voedselbron te zijn voor de kwikken. Door overmatige droogte ontstaat er insectentekort en kan hij onvoldoende opvetten om de lange reis naar het noorden te maken. De neerslaghoeveelheid in de overwinteringsgebieden is daarmee tevens een reden voor wisselende aantallen en langzame terugloop van de gele kwikstaart.

Toch zijn er nog velen die het wel redden. Sovon telde tussen 2013-2015 zo’n 40.000 tot 70.000 broedparen. Dat willen we graag zo houden!

Eenmaal in ons land gaan ze op zoek naar open landbouwgronden. Naast de kruidenrijke weilanden dus ook in tarwevelden, tussen de bloembollen of de brede bladeren van aardappelen. Eind april, begin mei wordt de zoektocht naar een partner ingezet. Het mannetje is nogal druk in zijn baltsvlucht. Hij fladdert met trillende veren boven het vrouwtje of loopt steeds maar rondjes om haar heen. Wanneer er kapers op de kust zijn, gebruikt de gele kwikstaart zijn felgele buik om te imponeren. Hij rekt zich uit en laat zijn opvallende gele veren zien. Hij doet zijn naam eer aan, dat zeker. Met zijn blauw-grijze kop, olijfgroene rugveren en een duidelijke witte wenkbrauwstreep ziet hij er appetijtelijk uit. Het vrouwtje is wat fletser van kleur, dat is een handige schutkleur tijdens het broeden. Het gevormde paartje gaat op zoek naar een nestplek en maakt een goed verborgen kuiltje tussen de bodembegroeiing. Het vrouwtje doet het meeste werk, zij zorgt ervoor dat het een zacht kraambedje wordt, bekleed met droog gras en haar. Doordat kwikstaarten vaak te vinden zijn tussen koeien, schapen en paarden, is er altijd wel haar voorradig. Waarom ze daar graag zijn? Waar vee is zijn insecten, slim bedacht. Gele kwikstaarten hebben geen sterke territoriumdrang. Als de broedomstandigheden ideaal zijn zie je vaak meerdere broedparen op vrij korte afstand van elkaar. Als uitkijkpost gebruiken ze graag een paal of hoge vegetatie om mogelijke predatoren te spotten en hun nest te beschermen. De kwikken hebben liever geen hoge bomen of struiken in de buurt, het moet overzichtelijk zijn.

Het broedseizoen is van eind april tot juli. Als ze het op de heupen hebben stichten ze twee keer in het seizoen een gezinnetje. Soms 6 maar meestal 4 eitjes per keer. Het vrouwtje bebroedt de eieren 12-14 dagen. De jonge kuikentjes worden door beide ouders gevoerd met kleine insecten, muggen, larven, spinnen, soms kevers en rupsen. Wat de pot maar schaft. Pa en ma scharrelen lopend en rennend het eten bij elkaar, afgewisseld met een sprintvluchtje. Daarbij driftig wippend met hun staart. Ligt het nest in een insectenarm land, zoals bv. een tarweveld, dan vliegen de ouders soms wel 800 meter naar een insectenrijke omgeving om eten te halen(onderzoek Wender Bil). Na 10-13 dagen komen de jonge kuikens uit het nest en kunnen binnen enkele dagen vliegen. Tijd om op eigen benen te staan, zodat de ouders aan een eventueel volgend legsel kunnen beginnen. Er wordt dan weer een andere nestplek gezocht. Rekening houdend met het aanbod van insecten – het is immers al wat verder in het seizoen- zoeken ze in aardappel- of bietenland een geschikte plek. Voeg daarbij een doorlatende grondstructuur, dan is er enige zekerheid betreffende voldoende voedsel. Je ziet met name in Oost Groningen veel gele kwikstaarten. Grote stukken landbouwgrond met wintertarwe en luzerne (voor het eerste legsel), en verderop groeien aardappelen en suikerbieten (tweede legsel).

In juli is er geen kwikstaart meer bezig met de voortplanting. Ze richten zich nu op de grote trek naar het zuiden en verlaten de broedgebieden. De grote najaarstrek vindt plaats vanaf augustus. Dan zijn er ook veel doortrekkers te zien. Deze kwikken hebben gebroed in het noorden, de Scandinavische landen, en gaan nu ook weer naar hun overwinteringsplek. Gele kwikstaarten vliegen overdag, in grote groepen.

De gele kwikstaart is verspreidt over heel Europa te vinden als broedvogel, behalve op IJsland, in Schotland en Ierland. Hun gebied strekt zich uit van West-Europa tot aan Kamtsjatka, van de Beringstraat tot in Alaska. Dankzij dit enorm groot verspreidingsgebied zijn er altijd wel ergens gele kwikstaarten talrijk aanwezig. Ze staan als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN omdat hun aantal wel achteruit gaat, maar in een laag tempo. (minder dan 3,5 % p.j.)

naar top van pagina

Tureluur (Tjerk)

Tureluur
Tureluur
Foto: T Geertsma
Vrij algemeen maar sterk afnemend

Wie kent hem niet: Ouwe Bil, de oudste geringde tureluur die we kennen in ons land. In 1989 werd hij geringd door Cees Bil. Op Wieringen werd hij 19 jaar later nog steeds gezien. Hij was zeer trouw aan zijn vrouwtje die na zijn dood ‘de weduwe van ouwe Bil’ werd genoemd. Ook zij werd gevolgd dankzij het feit dat ze was geringd. Op vrij late leeftijd kreeg ze nog een dochter, eveneens geringd op Wieringen. ‘De dochter van de weduwe van ouwe Bil’

Deze dochter werd een echte BV er.(Bekende Vogel). Het was een slimme tante. Terwijl de meeste tureluurs naar Portugal of Afrika gingen om te overwinteren, vertrok zij naar Engeland. Zodoende was ze altijd als eerste terug op Wieringen en kon het beste plekje uitzoeken om te broeden.

Jaarrond zijn er in Nederland tureluurs te zien. Dit zijn niet dezelfde tureluurs, er zijn nl. drie ondersoorten. Ze maken alle drie gebruik van de Waddenzee als leefplek, maar op verschillende tijden van het jaar. De Brittanica’s broeden hier en zijn in ons land van maart tot augustus. Daarna trekken ze naar hun overwinteringsgebied in Zuid-Europa en Noord-Afrika (langs de kusten).

Dan heb je de Totanus. Dat is een voorbijganger. Reizend van en naar zijn overwinteringsgebied komt hij in maart-mei en augustus-september voor een hapje en een drankje langs.

Tenslotte is er de Robusta. Deze tureluur komt grotendeels uit IJsland, arriveert in juli in de Waddenzee en blijft hier overwinteren.

Tureluurs broeden in weidegebieden waar het vochtig is, met graspolletjes om hun nest te maken, slootjes en greppels. Ook vinden ze broedgebieden in duinvalleien, heide en veen en kwelders.

Ze maken hun nest op de grond en verbergen het door grashalmen erover te vouwen. Het liefst nestelt de tureluur in de buurt van de kievit. Dat zijn nl. nogal luidruchtige buren als het gaat om het beschermen van nesten. De kievit jaagt met een ware luchtaanval eierrovers als meeuwen en kraaien weg, die daar ontzag voor hebben. De tureluur is wat bescheidener en doet zoiets niet. Ze is wel luidruchtig in haar roepen, maar het Tjuuuu…maakt geen indruk. En met zo’n haaibaai als buurvrouw worden haar eieren ook beschermd. Handig toch?

Kleine tureluurtjes zijn nogal voorlijk. Wanneer ze na 22-25 dagen uit het ei komen, hoeven ze niet gevoerd te worden. Ze scharrelen zelf hun kostje bij elkaar. De taak van de ouders is het beschermen van dit jonge grut.

Het voedsel van de tureluur bestaat in de broedtijd uit wormen, insecten en spinnen. Buiten broedtijd eten ze ook wadslakjes, kreeftachtigen, kleine visjes en kikkervisjes.

De tureluur is een beschermde vogel en staat op de rode lijst. Met name hun broedgebieden staan onder druk. Als een weiland wordt bewerkt, gedraineerd en bemest is de tureluur één van de eerste vogels die niet meer tot broeden komt. Op kwelders ontbreken steeds meer verruigde plekken. Het maakt de tureluur een kwetsbare soort die in Europa in aantal afneemt. De rode lijst status zorgt ervoor dat er beschermende maatregelen worden genomen (leefgebied verbeteren, nestbeschermers plaatsen). In Nederland zijn de getelde aantallen redelijk stabiel.

Met zijn rode poten, rode snavelaanzet en bruin tot grijsbruine verenkleed is het een prachtige strandloper annex weidevogel die zijn plekje verdient in ons land.

Meer over weidevogels: 

Wat is gunstig weidevogelbeheer?

naar top van pagina

Bokje (Hearsnip)

Bokje
Bokje
Foto: Antti Mäkönen
Wintergast

Je hebt van die vogelsoorten die je nooit ziet, die er wel zijn, maar eigenlijk ook niet zijn. Zo eentje is het bokje. Lijkt sterk op een watersnip, alleen kleiner. Hij is de kleinste van de snippenfamilie, 18-20 cm lang. Zijn snavel is duidelijk korter en dikker. Op zijn flanken heeft hij lichte brede strepen, de watersnip heeft smallere strepen.

Het bokje leeft een verborgen leven en is in de schemering en nacht actief. Hij heeft perfecte schutkleuren en gaat er van uit dat je hem niet ziet…tot je er bijna op staat. Dan vliegt hij stilletjes weg in een rechte vlucht en landt vrij snel weer op een nieuwe plek. De watersnip daarentegen maakt in zo’n situatie veel kabaal en vliegt zigzaggend weg.

Het bokje is een zgn. steltloper. Hij heeft een natte leefomgeving nodig. Denk hierbij aan grote zeer natte hoogvenen met zeggen en wollegras, of de vochtige toendra’s in Scandinavië en Rusland. In ons land is het geen broedvogel. Van half oktober tot in november komt hij wel als schaarse doortrekker bij ons langs en dan is er een kleine kans dat je hem ziet. Een enkele keer blijft hij als wintergast. Hij zoekt dan plekjes in vochtige dichtbegroeide graslanden, modderige oevers, natte heidevelden of duinvalleien. De vegetatie moet kort zijn en hij mijdt zout water . Grappig is dat hij soms als strandloper wordt omschreven, maar het bokje moet van een strand bij zout water niets hebben! Het feit dat hij zo’n verborgen leventje heeft maakt het in kaart brengen van dit vogeltje uiterst moeilijk. Er wordt geschat dat er 500-1000 wintergasten in Nederland zijn (Sovon, 2015) De voorjaarstrek vindt plaats in maart-april. Het bokje geeft er de voorkeur aan in zijn eentje ’s nachts de grote trektochten te maken.

Doordat er overal afname is van de natte leefgebieden waar het bokje van afhankelijk is, wordt deze soort bedreigd in zijn bestaan. Er zijn geen gegevens over de stand van de Europese populatie. Het bokje wordt in landen als Denemarken en Frankrijk nog steeds bejaagd. Er is desondanks nog geen reden om hem op de rode lijst te plaatsen.

Bokjes doen er zelf alles aan om te overleven. Het vinden van een partner gaat gepaard met een baltsvlucht die er ingewikkeld uit ziet. Het mannetje zingt een lied in drie delen. Met enige fantasie zou je bij het middelste lied een galopperend paard kunnen herkennen. Of het gevormde koppel trouw is aan elkaar is niet bekend. Ze hebben jaarlijks één of twee legsels met meestal vier eieren. Man en vrouw broeden beide en na drie weken komen de jongen uit het ei. Ze worden door beide ouders verzorgd en beschermd. Na een kleine drie weken gaan ze zelfstandig de wereld verkennen. Mogelijk helpt hun verborgen leefwijze hen in het voortbestaan.

Voedsel is meestal geen probleem, ook niet voor de jongen. Wormen, insecten en larven, slakjes, plantendeeltjes en zaden staat allemaal op hun etenslijstje. Het bokje beweegt het lichaam ritmisch heen en weer bij het prikken van de snavel in de natte grond. Zo vindt hij de wormen en slakjes snel.

Etenstijd is vaak in de schemering of ’s nachts. Het foerageren doet het bokje graag alleen of in kleine groepjes. Een zelfstandig vogeltje in het verborgene levend, soms dichtbij de mens zonder dat die er erg in heeft. Het bokje is de mens te slim af!

naar top van pagina

Watersnip (Wettersnip)

Watersnip
Watersnip
Foto: Ton Lindroos
Vrij zeldzaam

Nattigheid, veel nattigheid, dat heeft de watersnip als leefomgeving nodig. Mensen zouden er snipverkouden worden. De term ‘snipverkouden’ heeft vermoedelijk te maken met de vogel. In 1917 werd het woord voor het eerst aangetroffen. Ouder zijn de uitdrukkingen: zo verkouden als een poelsnip uit 1861en verkouden als een snip, 1916 . Dit zou zijn oorsprong hebben in “dronken als een snip”, waarbij men dan dacht aan de zigzaggende manier van wegvliegen van de snip. Alsof hij straalbezopen was. Hoe een dronken snip een verkouden snip wordt is niet verklaard. Maar ook is er gedacht dat de term snipverkouden komt van de snavel. Bij het zoeken naar voedsel zitten er vaak druppels of modder aan de snavel, alsof hij snipverkouden is.

We kennen de watersnip in ons taalgebruik nog op een andere manier: een snip in de knip. Dit heeft alles te maken met het feit dat de watersnip stond afgebeeld op ons 100 gulden biljet tussen 1980 en 2002. Op de achterkant stond de poelsnip.

Bijzonder, dat een vogel die de laatste eeuw in grote getale afneemt en in Nederland en België op de rode lijst staat, toch zo’n opmerkelijke plek in onze communicatie inneemt.

Kenmerkend aan de watersnip is zijn lange snavel. Deze is tot 7,5 cm lang en het uiteinde is beweeglijk. Hij peurt met zijn snavel gesloten in de natte bodem en pakt met de beweeglijke punt regenwormen, insectenlarven of slakjes. De watersnip is voor zijn voedsel afhankelijk van natte grond zoals zompige hoog- en laagveengronden, moerassen, natte hooi- en weilanden en randen langs meren. Hij is helemaal aangepast aan deze leefomstandigheden. Korte poten met lange tenen, lange snavel en goede schutkleuren. Juist de ontwikkelingen van deze leefgebieden vormen een bedreiging voor de watersnip, waardoor ze sterk in aantal afnemen. Dat is begin 20e eeuw al begonnen met de ontginning van broedterreinen (venen, natte heide). Toen kwam de ontwikkeling in de agrarische sector met als gevolg verlaging van waterpeil, meer beweiding, steeds vroeger maaien en zware bemesting. Helaas werd –en wordt- er in zuidelijke landen gejaagd op de watersnip wat uiteraard de instandhouding van de soort niet ten goede komt. Toch zien de meeste landen de watersnip niet als een bedreigde vogelsoort.

Er zijn grote delen van het jaar watersnippen te zien in Nederland, veel doortrekkers, enkele schaarse wintergasten en broedvogels. Het aantal broedparen in ons land is niet meer dan 1200-1500 (vogelbescherming 2013). De meeste watersnippen zijn in natuurreservaten te zien.

Het broeden wordt bepaald door de vochtigheid van de bodem. Goed verstopt in de vegetatie (graspollen, greppels, vochtige bermen) wordt het nest gemaakt. De paartjes vinden elkaar in het broedgebied en zijn monogaam. Het vrouwtje broedt in 17-21 dagen de eitjes uit. De jonge snipjes gaan meteen op stap. Ze worden eerst nog gevoerd en beschermd door hun ouders. Dreigt er gevaar dan neemt de watersnip de jongen tussen de lange tenen en vliegt er mee weg. Na drie weken gaan ze zelfstandig de wereld in.

Een watersnip is niet bang aangelegd. Hij gaat niet meteen op de vlucht voor verkeer of drukte. Vertrouwend op zijn schutkleur vliegt hij vaak op het laatste moment weg, tot schrik van de argeloze jogger of wandelaar. Want hij maakt veel kabaal en vliegt zigzaggend weg. En daardoor valt hij juist op want als hij blijft zitten zie je hem inderdaad niet. Hij heeft overigens ook rumoerige veren. Wanneer hij zich uitslooft voor een vrouwtje duikt hij in een baltsvlucht met gespreide staartveren naar beneden. Die unieke staartpennen zullen dan gaan trillen waardoor ze een soort blatend geluid maken. De watersnip heeft hiermee de bijnaam ‘hemelgeit’ gekregen.

naar top van pagina

Goudplevier (Wilster)

Goudplevier
Goudplevier
Vrij algemeen

Augustus, de Gold-rush begint. Talloze goudplevieren komen tijdens hun trektocht naar warmere oorden ons land binnen. Afhankelijk van het weer blijven ze hier een tijdje, want zodra er vorst komt zijn ze vertrokken. Je ziet goudplevieren meestal in groepen samen met kieviten foerageren op akkers en in weilanden. Reuze handig die kieviten, want die zoeken naar wormen en laat dat nu net het favoriete voedsel van de goudplevier zijn. Hoeven ze geen tijd te verspillen naar het zelf zoeken van een voedselplek. Maar ideaal is het niet, want zo’n grote groep kieviten en goudplevieren trekt de aandacht van kokmeeuwen. En deze kokmeeuwen hebben de minder vriendelijke gewoonte om hen lastig te vallen en het voedsel te stelen. Zo zie je maar weer dat samenwerking ook kan leiden tot tegenwerking.

In het broedseizoen zijn de goudplevieren in hooglanden, heidevelden en vochtige toendra’s te vinden. Daar sluiten ze vriendschap met de vele kleine bonte strandlopers, ook met het oog op foerageergebieden. Deze twee vogelsoorten zoeken hun voedsel op totaal verschillende manieren, maar helpen elkaar juist daardoor. De bonte strandloper foerageert met zijn kopje voortdurend naar beneden, als een kleine maaimachine. De goudplevier loopt rechtop,stap naar voren, knikkend om snel voedsel te pakken en weer opgericht. De plevier kijkt constant om zich heen, loerend op gevaar en geeft daarmee de strandloper veiligheid, die kan veel efficiënter eten. Is er gevaar dan vliegen ze samen weg om even verderop weer neer te strijken voor hun voedsel.

In het voorjaar (maart-april) trekken de goudplevieren weer naar hun broedgebieden. De grootste populaties zijn te vinden in Scandinavië, IJsland en Noord-Rusland. Ooit was Nederland een broedgebied voor goudplevieren maar vanaf ongeveer 1937 zijn ze hier niet meer broedend gezien. Uitgezonderd een incidenteel paartje. Om goudplevieren te zien zijn we dus aangewezen op de trekperiode. Tussen september en november (of tot de vorst invalt) zijn ze in ons land in grote getale te zien. ‘Onze’ goudplevieren komen uit Noord Europa, gebieden ten westen van het Oeralgebergte.

Goudplevieren hebben een mooie ronde kop en grote ogen. Ze foerageren voornamelijk op het zicht en kunnen ’s nachts prima wormen vinden. Hun goudbruine verenkleed is een geweldige camouflage in winterse modderige akker- en weilanden.

Het mannetje maakt in het voorjaar hoge schommelende zangvluchten om een vrouwtje te behagen. Hij vliegt in cirkels met opvallend langzame vleugelslagen. Het paartje maakt een kuiltje in de grond als nest, wat een beetje wordt bekleed met plantenmateriaal. Ze vinden een plekje op een helling het prettigst. Er wordt één keer in het seizoen gelegd, meestal zijn het 4 eitjes. De broedduur is 27-31 dagen. De jongen gaan meteen in de benen zodra ze uit het ei zijn, maar blijven nog wel 25 tot 45 dagen in de buurt.

De goudplevier staat op de rode lijst van Nederlandse broedvogels. Dat hij is verdwenen als broedvogel is, zoals bij zoveel bedreigde vogels, grotendeels te wijten aan menselijke invloeden. Ook als doortrekker en wintergast wordt hij bedreigd. Het was lange tijd traditie de goudplevier te vangen en te verkopen aan de poelier. Voor de arme boeren in Friesland was dit ‘wilsterflappen’ een welkome aanvulling op hun inkomen. De wilster (goudplevier) werd gevangen in een net met hulp van een lokvogel. Het wilsterflappen gebeurt ook nu nog, maar sinds 1978 worden ze alleen nog gevangen voor onderzoek. Daarnaast is de klimaatverandering een oorzaak van het wegblijven van de vogel in Nederland. Door temperatuurstijging verblijven ze langere tijd noordelijker. Verder is de intensivering van de landbouw een belangrijke oorzaak. De graslanden die door goudplevieren worden bezocht zijn steeds kariger met minder bodemleven en dus minder voedsel. Iets waar ook kieviten mee te maken hebben (de foerageermaatjes van de goudplevier). Om te overleven tijdens de trekperiodes zijn de goudplevieren afhankelijk van hetzelfde graslandbeheer als andere weidevogels. Hoog waterpeil, weinig bemesting en weinig bodemverstoring zijn van belang wil Nederland ook in de toekomst een belangrijk goudplevierenland blijven.

naar top van pagina

Graspieper (Pûpljurk)

Graspieper
Graspieper
Vrij algemeen afnemend

De vogelfamilie piepers bestaat uit o.a. de graspieper en de boompieper. Namen vertellen al iets over dit vogeltje zo groot als een koffiemok. Een graspieper leeft in gras, een boompieper in een boom. Wanneer we nader kennismaken met de graspieper, ligt het toch wat genuanceerder. Ja, hij leeft in graslanden. Maar aangezien de graslanden tegenwoordig te weinig kruidenrijk, teveel bewerkt en te arm aan insecten zijn, verdwijnt de graspieper daar. Gelukkig zijn meer leefgebieden zoals open duingebieden waar hij het talrijkst is, heide, hoogvenen en toendra’s. Maar ook daar komt de graspieper in de knel door terreinbeheer en stikstofdepositie. Verdroging, verbossing en intensieve begrazing zorgen voor afname van de graspieper.

De algehele afname van de graspieper als broedvogel in ons land gaat geleidelijk, maar gaat wel gestaag door, aldus de observaties van Sovon. Daarin doet de graspieper niet onder voor andere weidevogels. Reden om dit vogeltje op de rode lijst van Nederlandse broedvogels te plaatsen.

In de wei is het graspiepertje geen opvallende vogel. Terwijl grutto en kievit met hun lawaai de aandacht trekken, scharrelt de graspieper langs de slootkant. In een hoge graspol bevindt zich het nest met daarin twee keer per jaar een legsel van 4-5 eieren. Ongeveer 13 dagen worden de eitjes bebroed. De jongen vliegen meestal na twee weken uit, maar hebben eerder het nest al verlaten. Ze worden nog een paar weken door de ouders gevoerd. In de duinen kan bij die jongen zomaar een koekoek zitten, want de graspieper is een waardvogel van de koekoek. Trouwens, de graspieper herkent een koekoek wel, al lijkt die qua grootte op een sperwer. Hij probeert de koekoek weg te jagen, wetende dat die een bedreiging vormt voor het nest. Dat zou hij nooit doen bij een sperwer, dat is te gevaarlijk.

Het herkennen van de graspieper is lastig, aangezien hij veel lijkt op de boompieper. Zang en leefgebied verschillen. De boompieper leeft in bomen, een graspieper niet. De graspieper begint zijn zangvlucht vanaf een hoger plekje in het grasland. Tijdens het opvliegen hoor je de roep en de snelle vleugelslagen. Hij daalt zwevend naar beneden met stijve vleugels. De boompieper start vanaf een boomtop. Qua uiterlijk horen de piepers bij de talloze ‘kleine bruine vogeltjes’ zonder specifieke kenmerken. Bruin van boven, vuilwitte borst, vage wenkbrauwstreep en lichtroze poten. Hij loopt een beetje schokkend met opwippende staart zoals een kwikstaart en heeft net zo’n golvende vlucht.

In Nederland is het een weidevogel, zangvogel, broedvogel, doortrekker en wintergast. Dat is best een spectaculair lijstje voor een klein piepertje. Wanneer de winters zacht zijn, kun je jaarrond graspiepers tegenkomen in ons land. De broedpiepers trekken vanaf september/oktober naar Zuidwest Europa. Rond diezelfde tijd komen de graspiepers uit Scandinavië in ons land aan. Wordt het te koud dan trekken ze verder, anders blijven ze. Vogels leven met het ritme van de natuur. Het is niet de kou die hen doet trekken maar de aanwezigheid van voedsel. Graspiepers eten insecten, spinnen en die zijn er onvoldoende in koude winters. Graspiepers maken handig gebruik van de wind. In hooglanden worden kleine insecten door de wind meegevoerd vanuit de lage gebieden en komen terecht op de hellingen van heuvels en zelfs op sneeuwvelden. Graspiepers weten dit en zijn er als de piepers bij want het levert hen flink wat voedsel op. Tijdens de najaarstrek zorgen graspiepers ervoor bij harde wind zo laag mogelijk te vliegen. Vooral als de wind uit het zuiden waait, wat tegenwind betekent. Een goede kans om dan veel trekkende graspiepers te zien. In het voorjaar komen ze vanaf februari, maart terug naar ons land. De grootste groepen arriveren half april. Waarna de cyclus doorgaat met het vormen van nageslacht.

naar top van pagina
Bosvogels

Wielewaal (Gielgou)


Foto: wikipedia
zeldzaam

Een vogel is een geliefd onderwerp voor liedjes. Denk maar aan “Vogeltje wat zing je vroeg…”, of “Roodborstje tikt tegen ’t raam tik tik tik” en natuurlijk “Kom mee naar buiten allemaal” over de wielewaal. Een teken dat vogels onlosmakelijk met ons leven zijn verbonden. De één zie je regelmatig, de ander is schuw en leeft verborgen. De wielewaal is zo’n geheimzinnige vogel die je bijna nooit ziet. En toch is hij bekend geworden…door dat liedje. Zijn zang is het opvallende. Het wordt weergegeven als : “dudeljoho “. Met een beetje fantasie kun je dat erin herkennen. Anderen horen : wieowouw” wat zou hebben geleid tot de naam wielewaal. Het klinkt in ieder geval prachtig. En wie het geluk heeft deze zanger ook nog te zien vergeet nooit meer dat knalgele verenkleed. De combinatie met zwarte vleugels en staart en een rode snavel maakt hem zeker portretwaardig. Het vrouwtje en de jonge wielewalen hebben geen felle gele kleur maar meer geelgroen.

Wielewalen hebben een voorkeur voor loofbossen in een vochtige omgeving, zoals rivier- en beekdalen. Ze leven voornamelijk in de hoge boomtoppen van bv. populieren, schietwilgen, essen en in hoog- en laagveen vind je ze ook in berkenbossen en elzen. De onderlinge verschillen tussen diverse, gelijkwaardige biotopen is echter groot. Zo zijn ze in Drenthe, de achterhoek, oost Brabant en Noord Limburg breed aanwezig, maar ontbreken ze in vergelijkbare gebieden in Friesland of het westen van Nederland. In onze omgeving zijn ze wel gehoord in de buurt van Lippenhuizen en dan met name rond de kruising Bûtewei-Ald Hearrewei.

De wielewaal in Europa is een trekvogel. Ze komen vrij laat, in mei, in hun broedgebied aan. Dat doen ze bewust, want dan zijn de loofbomen vol in het blad en is hun woonomgeving tenminste klaar.

Door hun late aankomst bij ons worden ze ook wel Pinkstervogel genoemd. In juli-augustus vertrekken de wielewalen al weer naar het zuiden. ‘s Winters zijn ze ten zuiden van de evenaar in Afrika te vinden. In de relatief korte tijd dat ze hier zijn besteden ze al hun tijd aan de voortplanting. Een beetje rondlummelen is er niet bij. De mannetjes komen een dag of vier tot acht eerder aan dan de vrouwtjes. Zodra ze aankomen gaan de mannen wielewaal in heftige onderlinge vechtpartijen uitmaken wie welke broedplek en partner krijgt. Dan letten ze ook niet op de omgeving en is de kans het grootst dat je ze kunt zien. Wanneer er een paartje is gevormd, gaan ze op zoek naar een nestplek. Wielewalen vinden het geen probleem in groepjes van vier of vijf paren op kleine afstand van elkaar te broeden. Ze maken het extra aangenaam door in duetten of om en om te zingen. De nestplek wordt zorgvuldig gekozen en door het vrouwtje verzorgt. Ze maakt een wonderlijk hangend nest hoog in de boom. In de vork van een boomtak vlecht ze een buidelvormig nestkommetje van bast en grashalmen, verstevigd met speeksel en bekleed met zachte veren, wol en pluis. Vrouw wielewaal legt meestal 4 eitjes die de twee weken daarna door beide ouders worden bebroed. Ook het verzorgen en voeren van de jongen wordt door beide ouders gedaan. In die periode doet zich een opmerkelijk verschijnsel voor. Het ouderpaar wordt in hun werkzaamheden nl. geholpen door de jongen van het jaar daarvoor. Deze ‘helpers’ zijn meestal vrouwtjes die zelf nog niet broedrijp zijn. Waarschijnlijk beginnen wielewalen pas in hun derde levensjaar met broeden. Tot zolang staan ze hun ouders bij tijdens het broeden, het verzorgen van de jongen en helpen ze met voeren. Het blijkt dat paartjes met ‘helpers’ grotere broedsuccessen hebben dan paren zonder helpers. Vooral in open gebieden waar het voedsel op grotere afstand moet worden gezocht, blijkt dit gedrag efficiënt te zijn. Alles is erop gericht het broedsucces in de korte beschikbare tijd maximaal te laten zijn. Na twee weken verlaten de jongen het nest en zorgen ze voor zichzelf. Ze moeten dan ook snel sterk worden, want het is zomaar augustus, tijd om te vertrekken naar het zuiden.

Wielewalen eten insecten, nachtvlinders, rupsen, larven maar ook fruit zoals bessen. Wanneer ze voldoende zijn aangesterkt na het broedseizoen in het noorden, begint de grote trek naar het zuiden. Onderweg zijn er vele gevaren. Er wordt in zuidelijke landen nog steeds op de wielewaal gejaagd. In het overwinteringsgebied is sprake van ontbossing. De wielwaal komt net als zoveel trekvogels, klem te zitten tussen de bedreigende leefomgevingen. In Nederland is er ook sprake van inperking van hun leefgebied. Hoogstamboomgaarden, populierenbossen verdwijnen uit het landschap, bossen verdrogen en agrarisch cultuurlandschap met te weinig voedselaanbod rukt op. Toch zijn er ook positieve ontwikkelingen geweest. De aanleg van populierenbossen in Flevoland en bij het Lauwersmeer deed het aantal wielewalen meteen weer toenemen. Eind 1980 schatte men het aantal broedparen op 8500. Daarna zette de daling drastischer in. Rond 2007 was het aantal gedaald naar 4500 en tussen 2013-2015 werden er 1700-2900 paartjes geteld. In Nederland is het nu een schaarse broedvogel geworden. Hij staat op de rode lijst als “bedreigd”. Omdat er wereldwijd nog voldoende plekken zijn waar de wielewaal broedt en leeft, staat hij op de internationale rode lijst van het IUCN als niet bedreigd. Dudeljoho!

naar top van pagina

Kleine bonte specht (Lytse bûntspjocht)


Foto: Henk Dikkers
zeldzaam

Het vergt nogal wat doorzettingsvermogen om een kleine bonte specht te spotten. Ze zijn nog het best te herkennen aan hun geluid: een snelle, langdurende en zachte roffel, zoiets als een naaimachine. Ze trommelen wel tot dertig keer per seconde op de boom. Gelukkig kan hun schedel dit opvangen met een soort stootkussen, zodat hun hersenen geen schade oplopen. Wil je naast het geluid deze kleine bonte specht ook zien, zoek dan hoog in de bomen. Deze specht is net zo groot als een flinke mus en het zijn beweeglijke, drukke baasjes. Ze struinen de takjes en twijgjes af op zoek naar insecten en larven. Het is dan wel een voordeel dat ze zo klein (14-15 cm) en licht (22 gram) zijn. Razendsnel hippen ze omhoog langs de boomstam, onderweg nog wat insecten oppikkend. In de boomkruinen voelen ze zich blijkbaar het prettigst. Ze hangen soms ondersteboven aan takjes.

De kleine bonte specht lijkt heel veel op de middelste en grote bonte spechten. Man heeft een rood petje, de vrouw heeft geen rood. Beide hebben ze zwart-witte zebrastrepen op hun vleugels. Beide roffelen en roepen kie-kie-kie-kie in de periode rond het broeden. De rest van het jaar zijn ze vrij zwijgzaam. Dan leven ze ook niet samen. De kleine bonte specht is meestal alleen. De oudste kleine bonte specht die bekend is werd 6,5 jaar.

Hun leefgebied bevindt zich in loof- en gemengde bossen waar voldoende oude, hoge bomen zijn en genoeg dood hout. Hoge bomen van zacht hout zoals de wilg, berk, populier, linde hebben de voorkeur. Die vind je in bossen, maar ook in parken of stille grote tuinen. Het spechtje mag ook graag in hoogstamfruitbomen fourageren.

Het gaat goed met de kleine bonte specht in Nederland. Bossen worden ouder, er komt steeds meer variatie aan bomen en dood hout blijft in het bos staan of liggen. Dat heeft er mede toe geleid dat het aantal broedparen na 1990 verdrievoudigde. Er zijn nu ongeveer 6500 broedparen in ons land (Sovon, 2015). Maar het blijft lastig dit vogeltje te tellen gezien hun verborgen leefwijze.

In de winter hoor je ze niet, maar vanaf maart kun je het geroffel en geroep horen wanneer ze een partner zoeken. Het roffelen wordt onderbroken door fladderende achtervolgingsvluchten. Vinden man en vrouw dat ze dit seizoen bij elkaar passen, dan maken ze samen een nestholte. Ze hebben maar een klein dun snaveltje, dus een dode boom met vermolmd hout is niet zo’n gekke keuze. Vaak aan de onderkant van een dode tak, twee tot acht meter boven de grond hakken ze een gat van ongeveer 4 centimeter doorsnee. De houtspanen worden keurig naar buiten gekieperd op enkele na die ze gebruiken om het nest te stofferen. Inmiddels is het al mei geworden en gaat het vrouwtje eieren leggen. Dat zijn er 4-6 stuks, die ze ieder om de beurt uitbroeden. Elf dagen later zijn de piepkleine, kale en hulpeloze spechtjes uitgekomen. Die groeien als kool. Binnen drie weken, waarin ze door beide ouders intensief worden gevoerd, zijn ze klaar om uit het nest te gaan. Dan blijven ze nog wel in de buurt en verzorgen de ouders het jonge grut nog een week of drie. Er is jaarlijks één legsel. Maar omdat vrouwtje specht er nog wel eens een tweede man op na houdt, kan het gebeuren dat ze twee legsels moet verzorgen. Een fikse taak voor zo’n klein beestje.

Zodra de jongen het nest hebben verlaten, gebruiken de spechten dit nest vaak als slaapplek of als woning waar ze met slecht weer kunnen schuilen. Nestholtes worden ook meerdere jaren gebruikt om te broeden. Man en vrouw gaan na de gezinsperiode weer hun eigen solitaire leven leiden. De jongen zwerven wat rond, soms in gezelschap van mezen en kunnen buiten het broedgebied komen. Na een jaar zijn ze oud genoeg om zelf voor nageslacht te zorgen.

Bomen zorgen voor het voedsel door de vele insecten die er op leven. De specht zorgt er op zijn beurt weer voor dat de boom gezond blijft door schadelijke insecten en larven te eten. De kleine bonte specht zoekt met het kleine snaveltje onder en tussen de bast van de boom naar voedsel. Net als andere spechtsoorten heeft deze specht een lange kleverige tong, waarmee hij de insecten naar binnen hengelt. In de zomer zoekt het spechtje hoog in het bladerdak naar bladluizen. Die vindt hij ook wel in houtwallen en kleine bosjes, waar hij na het broedseizoen rondstruint. Verder eet hij spinnen, torren en kevers in alle stadia van ontwikkeling. Voor de afwisseling eet hij ook wel bessen.

De boom is het huis van de specht. Je kunt er wonen, broeden, eten, rusten, schuilen en bescherming vinden. Het is daarom zo belangrijk dat bomen de kans krijgen oud te worden en ter plekke dood te gaan tot ze omvallen, zodat er nog veel kleine bonte spechtjes een leefbaar plekje vinden.

naar top van pagina

Grote bonte specht (Greate eksterspjocht)


Foto: T. Geertsma
Vrij algemeen

Spreek je van een grote bonte specht, dan is er vast ook een kleine bonte specht. Nog sterker, de middelste bonte specht is eveneens in Nederland te zien. We hebben het in dit artikel over de grote. Die is inderdaad de grootste van het drietal bonte spechten, ongeveer 23-26 cm. De middelste is ietsje kleiner, de kleine heeft het formaat van een huismus.

De grote bonte specht is de meest voorkomende specht in ons land. Het gaat dan ook prima met deze soort. Dankzij een veranderend bosbeheer zijn er nu gevarieerder bossen te vinden. Met voldoende oude bomen, zowel loof- als naaldbomen én genoeg dode (staande) bomen. Vooral het dode hout is een favoriete eettafel voor hem en haar. Tussen de loslatende bast bevinden zich lekkere insecten. De specht kan op andere boomstammen ook prima voedsel vinden. Hij zoekt de bast af en vindt plekken waar insecten tunneltjes knagen. Met zijn sterke snavel is het geen probleem de bast open te timmeren en met zijn kleverige tong insecten eruit te halen. In de wintertijd schakelt de specht over op een dieet van verschillende boomzaden (uit dennen- en sparrenappels), noten, bessen en alles wat er maar te vinden is op voedertafels in tuinen. Met name pindakaas en pinda’s zijn favoriet. De grote bonte specht maakt net als bv. de zanglijster gebruik van een smidse. Hij klemt dennenappels of noten in een spleet van een boombast vast om zodoende te zaden eruit te hakken. In het voorjaar lust deze specht ter afwisseling ook wel eens eieren of een jong vogeltje. De specht is in staat gebleken zich aan te passen aan veranderende leefomstandigheden en wisselt gemakkelijk van fourageerplekken en voedsel.

Spechten hebben het vermogen om met hun snavel te roffelen op de bomen. De grote bonte is een verwoed roffelaar. Zo’n roffel duurt nog geen seconde en bestaat uit 10-15 slagen. Hij gebruikt het roffelen bij het voedsel zoeken, bij het afbakenen van zijn territorium in het vroege voorjaar, om een vrouwtje te lokken en om een nestholte te maken. Om zich te laten horen gebruikt hij meestal dood hout, dat klinkt het best. Een lege nestkast wordt ook wel gebruikt om te roffelen, dat fungeert als een soort klankkast. Vrouwtjes zijn iets bescheidener, ze roffelen minder vaak. Vroeger dacht men dat de roffel het stemgeluid van de specht was. Pas in 1930 werd bewezen dat het geluid veroorzaakt werd door de snavel op het hout te rammen. De specht krijgt geen schade door dit geroffel, doordat er een sponsachtige overgang zit tussen snavel en schedel, een soort schokdemper. Ook heeft hij kleine veertjes over de neusholte. Dat voorkomt het inademen van houtsplinters en stof. Naast het roffelen is de specht ook te herkennen aan zijn luide tsjiik-roep. Dat klinkt bijna als ‘giet, giet’ en daarmee zou de specht een voorspeller van regen zijn geworden, aldus overlevering.

Als de grote bonte specht een vrouwtje heeft gevonden in het voorjaar, gaan ze samen een nestholte uithakken. Bij voorkeur in een berk, dat is mooi zacht hout. Maar als het niet anders kan zoeken ze een andere boom. Soms gebruiken ze een nestholte van eerdere jaren. Het gat is 5-6 cm groot, de nestkamer ongeveer 30 bij 12 cm, peervormig. Van binnen wordt er geen bekleding aangebracht, het is zo mooi genoeg. Ze zijn er al met al toch wel 14 tot 25 dagen mee bezig, afhankelijk van de houthardheid. Maar dan heb je ook iets. Vrouwlief vindt het goed genoeg om er eitjes in te leggen. Dat doet ze in april en mei. 4-7 eitjes die door hen samen worden uitgebroed. Het vrouwtje doet echter het meeste werk. Als na twee weken de jonge spechten uit hun ei komen, worden ze door beide ouders verzorgd. De kleintjes zijn eerst naakt en vechten om de beste plekjes als pa of ma met een snavel vol rupsen aankomt. ’s Nachts rust pa bij zijn kroost in de nestholte, om hen te beschermen tegen nestrovers. Maar als ze na drie weken bijna vliegvlug zijn kunnen de jongen pa uit het nest verdringen, er is geen plek meer. Ze willen eruit. De eerste nacht brengen de jongen stevig tegen een stam gedrukt door. Dat is een overlevingstactiek welke ook door volwassen spechten wordt gebruikt wanneer er bijvoorbeeld een roofvogel in de buurt is. De jonge spechten vinden op een gegeven moment een leegstaande nestholte om in te slapen. Ze blijven nog een dag of 10 in de buurt om te worden gevoerd door de ouders. Jonge spechten gaan in het najaar de hort op. Ze gaan niet ver buiten hun broedgebied. Spechten gaan nooit verder dan 10 kilometer van hun broedgebied. Een specht kan wel 11 jaar worden.

Grote bonte spechten zie je altijd in hun eentje, ze vormen geen groep en sluiten zich ook niet aan bij andere groepen.

Het bonte van de grote bonte specht zie je in het verenkleed. Mooi zwart- wit getekende kop, witte schoudervlek, zwarte rug, witte stippen op zwarte vleugels die een prachtig streeppatroon vormen als ze geopend zijn en natuurlijk het belangrijkste kenmerk: de rode vlek. Bij de jongen zit die op de kruin, man heeft de vlek in zijn nek en beide geslachten hebben rode veren aan hun onderstaart. Hun manier van vliegen is sierlijk. Een lange, golvend patroon, waarbij ze hun vleugels lang kunnen sluiten tussen de slagen. Een opvallende vogel die gek genoeg niet eens erg opvalt in zijn omgeving. Ze zijn in heel Europa als standvogel te vinden.

naar top van pagina

Groene specht (Griene Spjocht)

Groene specht
Groene specht
Foto: Foto: Martijn van der Vaart
Vrij zeldzaam maar toenemend

De spechtenfamilie kent bijzondere soorten. Een familie die nieuwsgierig maakt. Allemaal hebben ze ergens een rood plekje. Een petje of nekje of rode billen. Ook bewonen ze holtes in bomen en ze roffelen. De groene specht heeft een zeer opvallende kleur. Waarom in vredesnaam een groene rug? Dat zal vast iets te maken hebben met hun voedselkeuze: de mierenhopen in/onder het groene gras. Daarnaast heeft hij een opvallende, lachende roep. De lachende specht hoor je wel maar zie je nauwelijks. Hij wordt ook wel regenspecht genoemd, omdat men hem vaker zou horen voorafgaande aan en tijdens een regenbui. Het is een schuwe vogel die bij de minste verstoring wegvliegt. Reden genoeg om eens dieper in het groene spechtenleven te duiken.

De groene specht is een standvogel in ons land. Je kunt hem op veel plekken tegenkomen, maar niet of zelden op de Waddeneilanden. Ooit heeft men geprobeerd de specht daar te introduceren, maar dit is niet gelukt. Waarschijnlijk door een gebrek aan mieren. Hij leeft liever in bossen met open plekken en foerageert aan de randen en op grasvlaktes. Want mieren vormen zijn hoofdvoedsel. Je kunt hem soms zien in tuinen en parken, waar hij druk in de grond pikt om mieren te vinden. Hoe weet een groene specht waar mieren zijn? De rode bosmier wordt graag gegeten en bevindt zich in mierenhopen. Die zijn door de specht vrij gemakkelijk te vinden. Onbedekte, kale mierenhopen zijn favoriet boven de begroeide hopen, die je niet zo snel ziet. In de winter kan de specht mierenhopen terugvinden, omdat hij onthouden heeft waar ze zich bevinden. Hij pikt dan dwars door de laag sneeuw heen en het is altijd raak. Zie je hem in een grasveld, dan zul je als hij weg is allerlei gaten vinden in de grond, soms wel tot een halve meter diep. En mocht je verder zoeken dan zit daar absoluut een mierennest onder. Het is nog steeds een raadsel hoe de specht dit weet. Onderzoekers ontdekten uit gedetermineerde keutels dat de specht naast mieren ook wel eens een mijnspin eet. Zou de specht dan de potlooddikke gaatjes kunnen zien die door spinnen worden gebruikt? En kan hij dus ook de gaatjes van mierennesten zien? (bron: mieren.nl, Peter Boer)

Uit de onderzoeken kwam wel naar voren dat de specht niet veel andere insecten eet. In de zomer scheiden rode bosmieren veel mierenzuur uit. En hoewel de specht een vrij dikke huid heeft wordt hem dat ook te gortig. Hij eet dan andere mierensoorten. Voor het binnenhalen van al die lekkere hapjes heeft de groene specht de beschikking over een zeer lange, plakkerige tong. Hij hengelt in korte tijd een mierennest leeg.

De groene specht bewoont het liefst oude loofbomen met zwakke, rotte plekken. Daarin kan hij een nest maken. In tegenstelling tot de andere spechten heeft zijn geroffel weinig betekenis. Je hoort het nauwelijks. Hij gebruikt dan ook zijn lachende roep om een territorium af te bakenen en een vrouwtje te lokken. Hij begint daar vaak in december mee. Wanneer er een vrouwtje komt maakt de specht contact door middel van zijn baltsgedrag. Hij laat zijn vleugels wat hangen, de staart een beetje omhoog en beweegt zijn kop heen en weer. Het vrouwtje doet dit dan ook, ze raken elkaar met de snavel aan en dansen om elkaar heen. Uiteindelijk worden ze het eens en begint het getrouwde leven. Samen hakken ze een nestholte uit, dat duurt wel een paar weken. Soms gebruiken ze een nestholte die eerder dienst deed als roestplek. Groene spechten hebben vaste roestplekken. Broedholtes worden soms jarenlang hergebruikt.

In de periode maart-juni vindt de gezinsuitbreiding plaats. Het vrouwtje legt gemiddeld 5-7 eitjes en deze worden door beide ouders uitgebroed. Ze wisselen elkaar keurig om de anderhalf à twee uur af. Na twee weken komen de eitjes uit en worden de jongen nog ruim drie weken op het nest verzorgd. Ook dat doen beide ouders. Daarna vliegen de jongen uit, maar het gezin blijft nog 6 of 7 weken bij elkaar. Net zoals andere spechten dat doen, splitst het gezin zich en iedere ouder verzorgt een paar jongen. Taken verdelen, daar zijn ze sterk in, die spechtenfamilie. De jongen zoeken vervolgens een eigen plek welke nooit verder dan dertig kilometer van het ouderlijk nest ligt.

De groene specht profiteert van de zachte winters. Want tegen strenge kou kan hij niet. Het vinden van voedsel is dan bijna onmogelijk geworden. Hij kan met zijn snavel niet in bevroren grond zoeken naar mieren. In winterperiodes zag men vaak het aantal spechten drastisch teruglopen. Dat had alles te maken met sneeuwrijke periodes en hard bevroren grond. De groene specht heeft de bodem nodig om aan voedsel te komen.

In de periode 2013-2015 was het aantal broedende spechten ongeveer 9500. Ze nemen de laatste jaren langzaam in aantal toe. Een vermeende vijand zou de havik kunnen zijn. Peter Boer onderzocht dit en het bleek dat de groene specht de havik meestal te slim af is. Hij past zijn foerageergedrag aan. Mierenhopen die kaal , zonder overhangende takken of struiken zichtbaar zijn voor de havik, worden door de specht nauwelijks bezocht. Maar is een mierenhoop goed verstopt onder struiken dan eet de specht er volop van. De invloed van de havik als predator op de populatie spechten is niet van invloed.

De specht heeft behoefte aan rustige foerageergebieden. De mens kan verstorend zijn, maar ook veranderende leefgebieden. Het blijkt lastig te zijn een verklaring te vinden voor de wisseling van aantallen groene spechten in de loop der tijd. Op zandgronden, duingebieden ging de hoeveelheid spechten voor 1990 achteruit. Mogelijk werd het een slechtere omgeving voor het vinden van voedsel. Was de bodem niet meer geschikt voor mieren? De groene specht is echter niet zomaar klein te krijgen en heeft zelf nieuwe gebieden gezocht rond rivieren en deltagebieden. Boomsingels werden daar ouder en zo werd de omgeving aantrekkelijker. Gelukkig gaat het nu beter en sinds 2017 staat de groene sopecht niet meer op de rode lijst. Er komen steeds meer goede broedgebieden voor deze specht, zoals parken en recreatiebossen waarin open grasvelden aanwezig zijn. Mensen kunnen in de tuin meehelpen door geen mierenlokdozen of andere mierenvernietigers meer te gebruiken. Want geen mieren geen groene spechten.

naar top van pagina

Middelste bonte specht

Middelste bonte specht
Middelste bonte specht
Zeldzaam maar toenemend

De middelste bonte specht is hard op weg een BV-er ( Bekende Vogel) te worden. In de jaren 1950-1960 was hij bijna helemaal uit Nederland verdwenen, maar na 1990 begon zijn zegetocht. Eerst broedgevallen waren er in Limburg en Twente, daarna breidde het gebied zich uit over het oosten van ons land. In het noorden bleef het een zeldzame verschijning. Maar ook dat veranderde en nu is deze specht ook in Oranjewoud, Bakkeveen en Beetsterzwaag (Waarnemingen.nl) te zien. Of het hier tot broeden komt is afwachten.

Vanwaar die opmars? Het beheer van de bossen is de laatste tientallen jaren gewijzigd. Er is nu ruimte voor een natuurlijker beheer met dode bomen die niet worden verwijderd, met ouder wordende bossen en warmere lentes. Dat laatste is heerlijk voor de middelste bonte specht, hij is nl. dol op warmte. De middelste bonte specht eet als hoofdvoedsel insecten en heeft daarvoor bomen nodig met ruwe bast en dode of halfdode bomen. Want daar zitten voldoende insecten. Bovendien kan hij drinken van de boomsappen en het vocht in de nerven van de ruwe bast. Hij voelt zich het meest thuis in oude loofbossen, het liefst met eiken. Een beuk is te hard voor hem. De middelste bonte specht heeft een kortere en minder sterke snavel dan zijn soortgenoot de grote bonte specht. Hij is afhankelijk van zachter hout.

Het valt niet mee om deze specht te herkennen. Hij lijkt nl. sprekend op de grote bonte en de kleine bonte. Het is wel de enige specht met een eigen afkorting: Mibo’s (middelste bonte specht).Gelukkig zijn ze niet allemaal even groot, dat helpt. De middelste bonte specht is iets kleiner dan de grote bonte specht maar duidelijk groter dan de kleine bonte, die het formaat van een mus heeft. Voor het gemak hebben mibo’s een rose broek en een rood petje, zowel het jong, de man en de vrouw. Maar ja, dat hebben de andere spechten ook afhankelijk van man, vrouw of juveniel zijnde. Het grootste verschil zie je in zijn gezicht. Dat is bij de middelste bonte specht open en wit, zonder zwarte randen of lijnen. Met alleen dat rode petje en de zwarte ogen. Hij is nogal stilletjes en zijn vrij zwakke roep is niet vaak te horen buiten de broedtijd. Ook aan de roffel is hij moeilijk te herkennen, want hij roffelt niet of nauwelijks. Om bv. zijn territorium af te bakenen, gebruikt hij het roepen, een soort klagend hieuw hieuw wat doet denken aan de gaai of havik.

De middelste bonte specht maakt het zich meestal gemakkelijk door niet zelf een nest uit te hakken. Er zijn immers leegstaande nestholtes genoeg en die gebruikt hij dan ook. Mocht hij zelf een nest willen uithakken, dan zoekt de middelste bonte specht een boom van zacht hout uit, zoals populier, els of wilg. Maar ook dood hout kan worden gebruikt. Een nestholte wordt in de stam gemaakt maar ook vaak in een dikke horizontale tak, dat doen andere spechtsoorten niet. De man begint alvast met het hakwerk en als hij een vrouwtje heeft gevonden, hakt zij dapper mee. Binnen enkele weken zijn ze klaar. Zoals gebruikelijk bij spechten heeft de nestingang een fraai dakje, bestaande uit takken, een rand in de bast of zit het in de oksel van een dikke zijtak.

Een middelste bonte specht is een dagactieve vogel. Wat doet hij overdag dan allemaal? Hij mag graag wat rondhangen in hoge boomkruinen, niet tegen een stam ‘geplakt’, dat doet hij alleen als er gevaar dreigt. Nee, hij zit graag op zijtakken. De hoofdactiviteit is natuurlijk het vinden van voedsel. Hij heeft een royaal territorium tussen de 10-20 hectare. Mibo’s zijn standvogels, hij blijft daar zijn leven lang. In strenge winters zoekt hij ook voedsel in parken en tuinen, buiten zijn territorium. Verder moet hij zijn gebied verdedigen. De middelste bonte specht heeft het niet zo op zijn mannelijke soortgenoten. Hij jaagt ze op een agressieve manier weg en laat dat zien door zijn rode kopveren op te zetten. Vrouwtjes worden buiten broedtijd wel getolereerd maar kordaat weggejaagd bij overvloedige voedselbronnen.

Om een vrouwtje te vinden moet hij al in januari aan de bak. Eerst maar eens flink roepen met zijn speciale territoriumroep. In maart intensiveert hij dit roepen met een klaaglijk toontje, maakt zich groot door zijn kopveren weer op te zetten en zet zijn opvallende fladderende baltsvlucht in. Nu zal het vrouwtje wat hij heeft gespot toch wel voor de bijl gaan. Hij laat de nestholte zien, die soms nog niet af is, door ernaast op de bast te hameren. Als het vrouwtje haar toekomstige woning in orde vindt volgt al snel de paring. Het stel blijft bij elkaar tot de jongen zijn uitgevlogen, daarna gaan ze hun eigen gang. Maar het volgende broedjaar zoeken ze elkaar vaak weer op. Vrouwtje legt 5-6 eieren, één keer per broedseizoen wat duurt van april tot begin juni. Na 11 tot 14 dagen komen de eieren uit die door beide ouders zijn bebroed. Ook het voeren en nest schoonhouden doen ze samen. Dat werk duurt ongeveer drie weken en dan zijn de jonge mibo’s klaar om het nest te verlaten. Het gezin wordt in tweeën gedeeld en iedere ouder zorgt nog een dag of 8 voor hun kroost. De jonge mibo’s blijven in of in de buurt van het ouderlijk gebied. Aan het eind van het eerste jaar zijn ze geslachtsrijp en zoeken hun eigen plek,niet al te ver weg.

Voor zover nu bekend is de gemiddelde leeftijd van de mibo’s ongeveer 5,5 jaar. Want ook deze specht heeft vijanden. De belangrijkste predatoren zijn de sperwer en de marter. Dreigt er gevaar uit de lucht dan vlucht de specht in een holte of drukt zich roerloos tegen de boomstam. De marters hebben het voorzien op de nestjongen die nog niet kunnen wegvliegen. Deze hulpeloze jongen vormen ook een prooi voor andere vogelsoorten, zelfs voor de grote bonte specht. Van je familie moet je het maar hebben. Desondanks is de opmars van de middelste bonte specht spectaculair te noemen en ziet de toekomst er rooskleurig uit.

naar top van pagina

Zwarte specht (Wâldspjucht)

Zwarte specht
Zwarte specht
Vrij zeldzaam

Je hebt huis-,tuin- en keukenvogels en je hebt opvallende, bijzondere, soms schuwe vogels. Tot die laatste behoort zonder twijfel de spechtenfamilie. Eén lid van die familie is de intrigerende zwarte specht. Hij heeft een haast majestueus voorkomen met zijn zwarte verenkleed en rode pet. Vrouwtjes hebben hun rode pet in de nek hangen, niet op de kruin. De zwarte specht is ongeveer net zo groot als een kraai of gaai. Leeft in bossen waar het rustig is. Deze specht heeft niet de golvende vliegbeweging die andere spechten eigen is. Hij vliegt in een rechte lijn en gaat met een opwaartse boog de boom in. Je zult hem niet vaak op een tak zien zitten. Hij klemt zich vast met zijn poten aan de stam, de staart gebruikt hij als steun. De zwarte specht is nogal gesteld op zijn privacy, je ziet hem dan ook niet vaak. Hij is wel te horen. Zijn roep is kenmerkend en zijn roffel is luid, langdurig en duidelijk. Wanneer je zo alleen leeft heb je die instrumenten wel nodig om een vrouwtje te vinden.

Hij heeft een groot territorium, tot wel enkele kilometers rond de nestplaats. Buiten het broedseizoen hebben man en vrouw ieder hun eigen gebied, waar ze doorgaans hun leven lang verblijven. Ieder jaar zoeken zwarte spechten een frisse partner en dat zou zomaar de buurman/buurvrouw kunnen zijn. Dan voegen ze hun gebieden bij elkaar. Ruimte genoeg om een gezin te stichten. Vinden ze elkaar echt leuk dan vormt het koppeltje soms meerdere jaren een setje, maar alleen tijdens het broedseizoen.

Wanneer het broedseizoen nadert komt de specht in actie. Daarvoor gebruikt hij zijn roep en zo nu en dan zijn bekende, luide roffel. Hij kiest vaak een dode tak waar hij met zijn sterke snavel ritmisch tegenaan roffelt. Dat klinkt ver, zodat een vrouwtje nieuwsgierig wordt naar de man achter de roffel. Het paartje vormt zich daadwerkelijk wanneer ze samen een nestholte uithakken. Dat is elk jaar een nieuwe holte. Ze hebben drie tot vier weken nodig om het nest uit te hakken. De ingang is meestal ovaal, de binnenruimte is ongeveer 40 cm diep en 25 cm in doorsnee. Bewijs van hun harde werk zie je onderaan de boomstam, daar ligt een hele hoop houtkrullen. Spechten hebben kleine veertjes over hun neusholtes, zodat er geen houtsplinters of stof wordt ingeademd.

Is het nest klaar dan paart het stel. Na een poosje legt het vrouwtje twee tot zes witte eitjes. Om de beurt broeden ze in twee weken tijd de eieren uit. Man en vrouw wisselen elkaar om de twee uur af. Dan begint de drukke tijd van voeren. De kleintjes hebben eerst niet zoveel trek en moeten als het ware overgehaald worden om te eten. Maar na een dag of tien eten ze als een dokwerker. Ongeveer 17 dagen nadat ze uit het ei zijn gekomen, verlaten de jonge spechten het ouderlijk nest. De weken daarop worden ze nog volop gevoerd door de ouders. Pa en ma specht nemen hun taak serieus en begeleiden hun jongen naar volwassenheid. Want nadat de laatste kleine het nest heeft verlaten splitst het gezin zich in twee groepen. Iedere ouder neemt een groepje voor zijn rekening en leert hen nog vele overlevingstrucjes alvorens ze vijf weken later het ouderlijk territorium voorgoed verlaten. Deze manier werkt goed, want de levensverwachting van jonge spechten is vrij hoog.

Het voedsel van de zwarte specht bestaat uit insectenlarven(kevers) en mieren. Die haalt hij uit levende en dode bomen. Hij heeft een lange, kleverige tong met aan het uiteinde een verhoornde punt, voorzien van enkele weerhaken. Daarmee hengelt hij mieren en larven uit hun nesten. In de winter zoekt de specht mierenhopen en overwinteringsnesten van bijen als voedsel. Het is een voordeel dat de zwarte specht een dikkere huid heeft dan de meeste andere vogels. Dat beschermt hem tegen mierenbeten. Het schijnt dat de zwarte specht een goed gehoor heeft en waarschijnlijk de geluiden van insectenlarven kan horen in het hout. Een vogel met veel ‘handigheidjes’.

Zwarte specht en bomen dat hoort bij elkaar. Op de grond foerageert hij niet graag, hij hupt dan wat ongemakkelijk heen en weer. Nee, dan de stammen van beuken en grove dennen. Daar kan hij voedsel vinden en nestholtes uithakken. Man specht kiest voor het nest een grote, vrijstaande boom uit met een dikke stam. Het liefst met water in de buurt. Hij heeft een voorkeur voor beuken wat een zeer harde houtsoort is, zelfs voor zijn sterke snavel. De specht laat moeder natuur een handje helpen, zo observeerden Duitse onderzoekers in 2013. Dat doet hij door eerst de bast te bekloppen en zo zwakke rotte plekken in de boom te vinden. Daar hakt hij een oppervlakkig gat uit. De regen zal er vervolgens voor zorgen dat het nat wordt, er schimmels naar binnen kunnen dringen en er een zachtere plek ontstaat die beter te bewerken is. De specht maakt dan een soort dakje boven en een aflopend randje onderaan de nestingang, zodat het regenwater niet meer de nestholte in kan.

Zoals gezegd maken spechten ieder jaar een nieuwe holte. Al is het niet zeker dat ze die gebruiken, ze broeden ook wel jaren achtereen in dezelfde holte als deze voldoet. Wat gebeurt er dan met al die lege nestholtes? Leegstand is er niet lang in het bos. Het blijkt dat daar waar de zwarte specht nestelt de populatie kauwen is toegenomen. Ze maken dankbaar gebruik van die ruime nesten. Maar ook holenduiven, spreeuwen, de grote zaagbek en de brilduiker genieten van de riante nesten. Andere dieren die op deze nestholtes afkomen zijn eekhoorns, slaapmuizen, boommarters, hoornaars, bijen, vleermuizen. Kortom, een verlaten nestholte van de zwarte specht trekt een flinke hoeveelheid nieuwe bewoners aan.

naar top van pagina

Gaai (Houtekster)


Foto: Martien Faber
Vrij algemeen

Velen kennen de gaai als de Vlaamse gaai. Maar ook schreeuwekster, houtekster, eikelzoeker, meerkol zijn namen voor deze mooie vogel uit de kraaienfamilie. De wetenschappelijke naam garrulus glandarius kun je vrij vertalen als: babbelzieke eikeleter. En dat karakteriseert de gaai , want als je deze schuwe vogel hoort, is dat meestal een schreeuwend, krassend geroep. Bovendien heeft haar geschreeuw voor andere vogels vaak een alarmfunctie: onraad! Toch kan de gaai mooi zingen en ze kan perfect andere vogels en geluiden imiteren. Bv. de schreeuw van een buizerd, geiten, of een krakende deur.

Net zo grillig als haar stem is het verenkleed. Bont, allerlei kleuren zijn zichtbaar. Zwart-wit, met daarnaast bruin en zachtrood. Opvallend zijn aan weerskanten de blauwe plekken op de vleugels. Ze heeft zwarte baardstrepen en een zwart wit gestreepte kuif (die ze op kan zetten bij opwinding) .Een makkelijk te spotten vogel zou je zeggen. Maar de gaai is schuw en erg waakzaam. Je hoort haar meer dan dat je haar ziet.

Wat voedsel betreft is de gaai niet zo kieskeurig. Ze eet wat het jaargetijde biedt. Op het menu staan rupsen, spinnen, wormen, kleine knaagdieren. Maar ook noten, vruchten en ze tikt zelfs zo nu en dan een eitje. In de herfst is het echter eikeltjestijd. Ze verzamelt eikels en verstopt deze her en der in de grond, als wintervoorraad. Een gaai kan zo wel 5000 eikels verstoppen. Niet voor niets worden gaaien ook wel bosbouwers genoemd. Want onthouden waar al die eikels verstopt waren is soms lastig. Wat niet teruggevonden wordt, groeit uit tot een nieuwe eik.

Het is een slimme vogel. Zo heeft ze een prima manier bedacht om van die vervelende veerluizen en vlooien af te komen: ze neemt een mierenbad. En gaat daarbij grondig te werk. Met uitgespreide vleugels zit ze bovenop een mierenhoop, die haar vervolgens helemaal uitkammen en de luizen en vlooien als hapje meenemen.

Als de gaaien een partner zoeken, gaan ze naar de huwelijksmarkt. Tijdens dit ritueel komen mannetjes en vrouwtjes samen in het bos en jagen elkaar achterna. Is er een paartje gevormd dan zoeken ze hun eigen territorium waar ze, trouw aan elkaar, hun leven lang blijven. Samen bouwen ze hun nest en in de lente legt het vrouwtje meestal vier tot zes eitjes. Elke drie dagen verlaat ze het nest voor 5-15 minuten. Het moment waarop eksters en kraaien de eitjes maar wat graag pikken. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit en blijven nog drie weken onder de hoede van hun ouders. Daarna vliegen ze de wijde wereld in, met alle gevaren van dien. Volwassen vogels zijn vaak een prooi voor sperwers en haviken. Desondanks handhaaft de gaai zich prima en is geen bedreigde vogel.

naar top van pagina

Glanskop (Sompmies)


Niet algemeen

De glanskop wordt wel het tweelingbroertje van de matkop genoemd. Het verschil is dan ook moeilijk te zien. Het zwarte kopje van de glanskop glanst. Hij heeft een andere roep, een hoog geluid. Dat is het meest herkenbare, want de roep van de matkop is laag en rauwer. Lang geleden werden beide soorten zwartkop genoemd omdat men nog niet had ontdekt dat het om twee verschillende mezen ging. Tegenwoordig worden ze ook wel zwartkop genoemd omdat je ze in de natuur moeilijk herkent. (er is overigens wel een ‘echte’ zwartkopmees, om het nog lastiger te maken!)

De glanskop woont meestal in oudere bosgebieden, maar komt ook wel in beboste tuinen. Waar beuken zijn, kun je de glanskop tegenkomen. Dol op de beukennootjes, wat voor hem het belangrijkste voedsel is. De glanskop heeft als slimmigheidje dat hij nootjes verstopt in de spleten van boomschors, als reserve voor de slechtere voedertijden. In het voorjaar en zomer zoekt hij naar ander voedsel zoals insecten. Soms bezoeken ze een voedertafel in een gastvrije tuin.

Het broeden gebeurt in een vast gebied, waar de glanskop jaarrond blijft. Net als matkoppen, maken ze nestholtes in verrot hout en zachte bomen. Maar de glanskop maakt ook gebruik van bestaande boomholtes of nestkastjes. Het legsel bestaat uit 6-9 eitjes, die in ongeveer twee weken worden uitgebroed. De jonge vogeltjes blijven een dag of 19 in het nest. Nadat ze het nest verlaten worden ze nog een paar weken verzorgt door de ouders. Zijn de jongen vertrokken dan is het tijd voor wat vertier. Glanskopjes vinden het gezellig met andere mezen in groepjes te verblijven, al gaan ze nooit uit de buurt van hun broedgebied. De glanskop staat niet op de rode lijst, de soort handhaaft zich goed. Zelfs (sporadische) zeer strenge winters hebben geen grip op dit kleine maar oersterke vogeltje.

naar top van pagina

Matkop (Reidmies)


Niet algemeen

De mezenfamilie kent vele soorten. Je ziet soms groepen van verschillende mezensoorten bij elkaar. Zodra de jongen zichzelf kunnen redden, hebben ouders de tijd om met z’n allen wat rond te trekken in de bossen. Staartmezen, pimpelmezen, matkoppen, kuifmezen en voor de gezelligheid doen goudhaantjes ook mee. Wat een geklets en gesnetter! Koolmezen zijn meestal niet van de partij. Dat zijn wat bazige types, die de sfeer en vriendschap zomaar bedreven. Die hebben hun eigen groepje.

De matkop zie je helaas niet zo vaak in het eerder genoemde groepje. Het is een vogeltje wat sterk in aantal teruggelopen is. De matkop heeft de twijfelachtige eer om op de rode lijst te staan.

Het is een klein vogeltje, zo groot als een pimpelmees. Ze lijkt sprekend op die andere mees: de glanskop. Alleen heeft die ene glanzend kopje en de matkop …juist, een mat kopje. Ook heeft de matkop lichte banen op de armpennen, maar dat zie je niet als je een matkop in het bos tegen zou komen. Heel lastig te onderscheiden, die twee. Ze worden ook wel tweelingmezen genoemd. De roep is nog het best herkenbaar. De matkop heeft een lage, rauwe roep.

Wanneer een paartje matkoppen besluit een nestje te bouwen, zoeken ze naar hout, een boom, stronk of afrasteringspaal. Want dat kleine meesje hakt met engelengeduld zelf een nestholte uit in bv. een boomstronk. Ze is wel zo slim om zacht hout uit te kiezen. Je ziet matkopjes dan ook in bossen of wallen met berk, wilg, verrotte houtstronken, een vochtige omgeving. Het vrouwtje doet dit werk. Ze legt vervolgens de eieren, meestal 7-9 eitjes en broedt ze uit in een dag of 13-15. Manlief zorgt voor voedsel en verdedigt het territorium. Samen voeden ze de jongen, die na een kleine drie weken het nest verlaten. Ze worden nog een korte tijd door de ouders gevoerd. Hierna is het werk gedaan, matkopjes broeden één keer per jaar.

Het voedsel van de matkop bestaat in het broedseizoen grotendeels uit insecten. Vliegen, bijen, wespen, kevers, mieren, bladluizen, vlinders, rupsen etc. Een gevarieerd menu, daar houden ze van. Zijn de insecten moeilijker te vinden, dan gaat de matkop over op zaden en vruchten.

Matkopjes blijven het hele jaar in het broedgebied. Ze hebben een groot territorium, wel zo’n 7,5 hectare. Buiten het broedseizoen zwerven ze wat in de omgeving met soortgenoten.

naar top van pagina

Boomklever (blauspjocht)

Boomklever
Boomklever
Foto: Martien Faber
Vrij algemeen

De boomklever is een heel bijzonder vogeltje. Een goeie bouwvakker, dol op oude loofbomen, is een ware acrobaat, slimme voedselverzamelaar en houdt van een duurzaam gezinsleven. Om met dat laatste te beginnen: de boomklever zoekt tweedehands nestholen. Vaak gebruikt hij de nestgaten van spechten, maar ook natuurlijke gaten in bomen, een nestkast of zelfs gaten en kieren in muren. Het nest wordt door man boomklever gemaakt, de bouwvakker. Meestal is het veel te groot en dus wordt het openingsgat netjes op maat gemetseld. Met natte klei maakt hij het gat precies groot genoeg om er zelf door te kunnen. Zo is er een prima bescherming tegen indringers. Als de boomklever het op de heupen heeft maakt hij ook nog een soort afdakje boven het nestgat, mooier kun je het niet maken. Al dat werk zorgt ook nog voor grappige effecten. Want soms zit er in de klei wat zaadjes en dan kan het gebeuren dat op een paar meter hoogte opeens een paardenbloem uit de boom groeit.

Het nest wordt door het vrouwtje ingericht met kleine stukjes schors en hout. Klaar voor de eitjes, waarvan ze er soms zes legt, maar soms ook elf. Na twee weken broeden door het vrouwtje, komen de jongen uit. Een drukke tijd voor de ouders, ze moeten hun kroost volop voeren, want die blijven wel drie weken in het nest. Ze groeien goed van de rupsjes, larven en insecten. Bijzonder aan de jonge vogeltjes is het feit dat ze geen kinderkleding hebben. Ze krijgen meteen het mooie verenpak van pa en ma, aan dons en zo doen ze niet. Als de jongen het nest verlaten, komen ze niet weer terug. Ze gaan eerst de wereld verkennen en zwerven soms tientallen kilometers Ze staan op eigen poten en laten dat duidelijk merken. Er zijn gevallen bekend van boomklevers die na twee weken al een volwassen partner hadden en een eigen territorium. In de winter bevinden boomklevers zich graag in gemengde groepen van mezen, goudhaantjes en boomkruipers. Heeft de boomklever eenmaal een eigen plek gevonden, dan is hij zeer honkvast en blijft daar zijn leven lang, binnen een straal van ruim een kilometer.

De boomklever is dol op oude loofbossen. Hij profiteert duidelijk van het meer natuurlijk bosbeheer van de laatste decennia. Er is meer structuur in bossen gekomen, hetgeen hij zeer op prijs stelt. En graag véél stamoppervlakte. Want de boomklever kleeft als het ware aan de boomstammen, het maakt hem een ware acrobaat. Het is de enige West-europese vogel die met zijn kop naar onderen gericht op boomstammen naar beneden kan lopen. Hij loopt de stammen en takken op en neer door zich vast te houden aan de bast met zijn scherpe nagels en steunt daarbij niet op zijn staart (wat spechten en boomkruipers wel doen).

De boomklever heeft dan ook een korte staart. Het is een wat gedrongen vogeltje, geen hals, scherpe nagels en een stevige snavel. Zijn verenkleed is prachtig blauwgrijs van boven en zijn buik is oranje-bruin. Als finishing touch heeft hij een mooie, lange zwarte oogstreep.

De stam en dan vooral de boomschors, is belangrijk voor de boomklever. Het is naast klimmuur ook zijn eettafel. Tussen de spleten zoekt hij voortdurend naar insecten, larven en rupsen. In de winterperiode gaat hij over op noten en bessen. Hij legt voorraden aan, elk hapje op een ander plekje. De noten klemt hij tussen schorsspleten of in de vork tussen stam en tak, waarna hij er net zolang op hamert tot de noot breekt en hij de kern kan eten. In de vogelwereld is het voedsel van groot belang. Vogels schromen onderling dan ook niet om elkaars voedselvoorraden te pikken. De specht eet uit de kast van de boomklever en die grissen de zaden weg welke de specht uit een dennenappel hakt. Ze gunnen het elkaar. In tijden van voedselschaarste bezoekt de boomklever ook wel boomrijke tuinen. Hij vindt er heerlijke pinda’s en snackt ook graag een vetbolletje.

Kortom, een veelzijdig vogeltje met een boeiend leven.

naar top van pagina

Keep (Kwêkfink)

Keep
Keep
Vrij algemene wintergast

De vink heeft een bijzonder familielid: de keep. Deze vogel heeft een zomerverblijf in Scandinavië. Daar zorgt hij voor nageslacht in de warme periodes van het jaar. In de noordelijke landen zijn veel insecten, daar kunnen toeristen over meepraten. Voor de keep is het een hoofdmaaltijd, die muggen, vliegen en andere insecten. Kepen leven aldaar in naald- en loofbossen, vaak samen met vinken. Ze vormen geen kolonies, want insecten zijn immers overal te vinden. De ondergrens van hun broedgebied ligt vlak boven Nederland. Vandaar dat hier in de zomer een enkele keer kepen te zien zijn, maar tot broeden komen ze niet. Dat gebeurt in zuidelijk Scandinavië. De keep leeft dan wel in groepen, tijdens het broeden is het paar territoriaal ingesteld. Het nest wordt in bomen of aan de bosrand gemaakt. Meestal is er één legsel, een enkele keer twee. Er zijn ongeveer 5-8 eitjes die in een kleine twee weken worden uitgebroed. De jonge keepjes verlaten het nest al na 11-13 dagen, maar worden nog gevoerd door de ouders.

De voortplanting van kepen verloopt voorspoedig. Dat is te zien aan de enorm grote groepen die eind september richting het zuiden vliegen. Het voedsel raakt op, ze gaan massaal naar de beukenbossen en dwarrelen door heel midden Europa. Kepen zijn nl. helemaal verzot op beukennootjes. Zijn er veel nootjes, dan zijn er veel kepen. Ze verzamelen zich vaak in gigantische groepen. In 2000 waren er in Luxemburg meer dan een miljoen kepen bijeen. Langsrijdende vrachtwagenchauffeurs stopten om dit spektakel te bekijken. In 2009 werden er 4 miljoen kepen geteld in Lödersdorf (Oostenrijk) en in 2015 kwamen in Hasel (het Zwarte Woud) eveneens miljoenen kepen overnachten en fourageren. (bronnen: Natuurpunt BE en Vogelbescherming). Op het internet kunt u filmpjes van dit natuurverschijnsel vinden : “Bergfinken in Lödersdorf” https://youtu.be/kKpzzIFQ_HI en Bergfinken Schlafplatz Hasel Januar 2015 https://youtu.be/C90-8djkgdc

Toch is de keep op de rode lijst geplaatst als “gevoelige soort”. De aantallen zijn nog groot, maar er is een dalende tendens al gaat dat heel langzaam.

Deze wintergast is in ons land niet in boven genoemde enorme aantallen te zien. Maar wel in grote overvliegende groepen. Het vliegpatroon van kepen is iets anders dan dat van vinken, dat is een herkenningspunt. Kepen vliegen onrustiger, in dansende zwermen, terwijl de iets kleinere vinken in kalmere groepen vliegen. De kepen vliegen ook wat sneller, zodat vinken niet mee kunnen komen. Andersom gebeurt wel, kepen vliegen in vinkengroepen mee en onderscheiden zich met hun luide keeeehp---roep. Die roep heeft overigens geleidt tot de naam keep.

Een andere herkenning is het prachtige uiterlijk van de keep. Witte buik, oranje borst en op zijn ‘schouders’ ook oranje veren. Verder zwart-witte veren en een zwarte kop en rug. Met recht een schoonheid onder de vinkachtigen.

In ons gastvrije land verblijven de kepen meestal in bossen met veel beuken. Ze eten graag beukennootjes, maar ook andere zaden en bessen Kepen hebben net als vinken een conische snavel, maar hun snavel is sterker. Daarmee openen ze gemakkelijk de beukennootjes. Bij de vink en de keep blijkt dat ze zijn geëvolueerd om te leven in verschillende omgevingen of om zich te specialiseren in bepaald voedsel. Dit gebeurt ook met andere vogelsoorten.

Je kunt kepen ook aantreffen in de tuin op voederplekken. Samen met vinken doen ze zich te goed aan een aanbod van zaden en (zonnebloem)pitten. Zo kun je ze naar de tuin lokken en dan maar hopen dat je er eentje ziet. Want tussen februari en april vertrekken ze naar hun broedgebieden en moeten we tot in oktober wachten voor we ze weer zien, die mooie noordelijke wintergasten.

naar top van pagina

Houtsnip (Wâldsnip)

Houtsnip
Houtsnip
Vrij zeldzaam

De familie Snip is omvangrijk. Van Japan tot Afrika, van Europa tot Amerika, je ziet ze overal. De Amerikaanse snip, de Japanse snip, de reuzensnip, vuurlandsnip. Syberische snip, bergsnip. keizersnip, enz. enz. In ons land zijn er een aantal snippen bekend. De watersnip, het bokje, de poelsnip en de houtsnip. Over die laatste gaat dit verhaal.

Zo’n honderd jaar geleden is het vangen van houtsnippen voor consumptie verboden. De aloude vangtechniek, met hulp van een flouw, bestaat echter nog steeds. Rond 1954 werd dit in ere hersteld met de bedoeling houtsnippen te vangen om ze te ringen voor wetenschappelijk onderzoek.

Een flouw is een rechthoekig groot net wat tussen boomstammen of palen werd bevestigd. Door lijnen en katrollen te bedienen viel het net op het juiste moment over de vogel. Het doet denken aan het wilsterflappen, de techniek om goudplevieren te vangen. De flouw in Rijs, Gaasterland is de enige en oudste werkende flouw in Nederland. Op de Utrechtste heuvelrug is een nieuwe flouw opgezet als bouwervaring en studieobject. De werkgroep houtsnippen maakt zich sterk de flouw te bewaren en te herintroduceren.

Overigens staat de houtsnip nog wel eens op een menukaart. Mocht u een gebraden vogel verwachten dan wordt u teleurgesteld. U krijgt een witte boterham belegd met kaas en roggebrood. Wit, geel en bruin zijn de kleuren van de houtsnip. Het schijnt dat jagers deze lunch mee namen het veld in. Wellicht doen ze dat nog steeds, al is jagen op de houtsnip hier verboden.

De houtsnip is in Nederland een buitenbeentje onder de snippen. Hij woont nl. in het bos. Het is de enige steltloper die in een bos woont. Wel blieft hij graag een vochtige vegetatie voor zijn voedsel. Regenwormen, larven, insecten, naaktslakken, pissebedden e.d. staan er op zijn voorkeurslijstje. Net als andere snippen heeft hij een gevoelige punt aan zijn lange snavel, waarmee hij op de tast in de zachte grond boort. Pas in de schemering en ’s nachts komt de houtsnip tevoorschijn, hij is dus moeilijk te vinden. Heeft daarbij ook nog een perfecte camouflage door zijn bruine veren met bovenop zwarte tekening en een lichte buik. De houtsnip drukt zich tegen de grond en valt niet op tussen de bladeren en takjes, toch is hij net zo groot als een duif. Pas als je bijna op hem staat vliegt hij zigzaggend laag over de grond weg. Het is lastig vast te stellen hoeveel houtsnippen er in Nederland broeden, ze zijn moeilijk te traceren. Men schatte in 2015 dat er 2500 broedparen waren.

De houtsnippen broeden in bossen van minstens enkele tientallen hectares groot. Maar eerst moet er een paartje worden gevormd. Nu staan de houtsnippen erom bekend dat ze bijna onzichtbaar zijn en alleen in de schemering en de nacht leven. Toch lukt het de man wel om een vrouwtje te vinden. Hij toont in de lente een kenmerkende baltsvlucht in de schemering, met trage, stijve vleugelslagen en uitgespreide staartveren. Hij laat knorrende en niesende geluiden horen en speurt tegelijkertijd de grond af. Op zoek naar een paringsbereid vrouwtje. Die laat dat zien door de staart op haar rug te flappen, zodat de witte eindpunten op de onderkant van de staartveren zichtbaar worden. Wonderlijk hoe alles een functie heeft in de natuur. Zijn er meer mannetjes in de buurt die het wit-vlaggende vrouwtje ook ontdekken dan is het niet meer zo gezellig. De heren gaan met elkaar op de vuist, want ze willen allemaal zoveel mogelijk vrouwtjes verschalken. Houtsnippen zijn niet bepaald monogaam. Dit schouwspel komt echter zelden voor in ons land.

Het nest is een kuiltje in de grond, bedekt met mos en blaadjes, liefst in een dikke humuslaag. Meestal ligt het tegen een struik of boomstam. Het vrouwtje legt vier eieren die ze in 23 dagen uitbroedt. De kuikens worden door het vrouwtje verzorgd en zijn na ongeveer dertig dagen vliegvlug. Daarna blijven ze nog enkele weken in de buurt tot de ouders hun taak afronden en aan een tweede legsel beginnen. De jongen worden goed beschermd tegen gevaren. Als het nodig is dragen houtsnippen hun jongen tussen de poten om ze naar een veilige plek te brengen.

In het najaar krijgen de Nederlandse houtsnippen gezelschap van talloze doortrekkers. Dat valt op, want er komen in november-december altijd veel meldingen binnen over houtsnippen in tuinen, tegen een raam gevlogen of dood gevonden bij huizen en andere vogelobstakels. Is de houtsnip dan zo’n onhandige vlieger? Ja en nee. Houtsnippen hebben grote ogen aan de zijkanten van hun kop. Daarmee kunnen ze prima rondom kijken, links, rechts, achter. Alleen recht voor zich, op korte afstand, is hun zicht beperkt. Ze zien de gebouwen wel maar kunnen de afstand niet inschatten.

Er vliegen jaarlijks ruim 10.000 houtsnippen over( telling 2015, Sovon) richting Zuid-Europa en afkomstig uit Scandinavische landen. In Nederland neemt het aantal broedgevallen af. Vanaf eind vorige eeuw zijn de hoeveelheden drastisch gekelderd. Met name op de Veluwe, waar de bodemvegetatie op de droge zandgronden ongeschikt werd. Er groeit op vele plekken smele (grassoort) en daar kan een steltloper als de houtsnip niet in fourageren. Maar ook in de Flevopolder verminderde het aantal houtsnippen zorgwekkend, terwijl die omgeving zo geschikt leek. Een reden hiervoor is niet te vinden. Toch zijn er nog ruim voldoende houtsnippen, let maar op de trekperiode in najaar en voorjaar. Dat geeft hoop op een mogelijke stijging van onze broedpopulatie, nu de winters hier steeds zachter worden. De broedvogels in Nederland trekken in de winter waarschijnlijk naar de Britse eilanden of Zuidwest Europa, maar blijven die hier ook jaarrond, afhankelijk van het weer.

naar top van pagina
Tuinvogels

Roodborst (Readboarstje)


Foto: T. Geertsma
algemeen

Geen vogeltje wat zo tot de verbeelding spreekt als het roodborstje. Symbool van de hoop, tuinvriendje, raamtikker, troostvogel, de ziel van een overledene, afbeelding op kerstkaarten, knuffelvogeltje, noem het maar op. Het is dan ook een vogeltje wat graag dichtbij de mensen leeft. Je ziet hem het hele jaar in tuinen. Maar of dat steeds dezelfde is, is maar de vraag. Roodborstjes (vooral de vrouwtjes) trekken in de winter zuidelijk en vaak worden de vogeltjes vervangen door soortgenoten uit noordelijke of oostelijke streken. Toch blijven er steeds meer roodborstjes in Nederland, dankzij de zachtere winters.

Het roodborstje heeft als territorium voldoende aan een tuin of hooguit een hectare grond met bomen en lage begroeiing. Meestal is het roodborstje alleen. Slechts in de broedtijd duldt hij een vrouwtje in de buurt. Hij verdedigt zijn gebied met ware strijdlust, het is immers zijn voedselplek. Dat lieve bolle vogeltje vecht als een tijger als het er op aan komt.

Dat verdedigen gaat volgens een vast ritueel. De roodborst begint met een zangduel. Als dat niet helpt neemt hij een agressieve houding aan. Hij zet zijn rode borst op, zwaait van links naar rechts en mocht de bezoeker dan nog niet weggaan dan jaagt hij hem weg met een pittige achtervolging. Vaak blijft het daarbij, maar 13% eindigt in een gevecht. Veel gefladder waarbij de ene vogel de ander op de grond probeert te drukken, soms eindigend met de dood. Het roodborstje is één van de weinige dieren die zijn soortgenoot kan doden. Bijzonder is dat een roodborstje zo’n hekel heeft aan de kleur rood, dat hij ook een rode bal of ander rood voorwerp als concurrent ziet en aanvalt.

Zijn drang naar privacy zit hem ook wel een beetje in de weg. Zoals gezegd kan hij alles wat rood is niet uitstaan, vooral andere roodborstjes niet. Maar ja, het is wel de bedoeling dat er een vrouwtje wordt gevonden voor de broodnodige voortplanting. De dames roodborst hebben zo hun trucjes om een mannetje voor zich te winnen. Ze wagen zich in een territorium met het risico van een aanval door de heetgebakerde man. En dat gebeurt dan ook prompt. Hij gaat tegenover haar zitten en dan wordt het spannend. Eén verkeerde beweging en vrouwlief kan ophoepelen. Maar ze doet niks en dat vindt het mannetje maar vreemd. Hij gaat vlak voor haar snavel zingen, een soort strijdlied gemengd met lieve riedeltjes. En kijk, vrouwtje doet niets, buigt haar kopje wat voor hem een teken is dat ze niet wil vechten. Even Later vliegt hij een stukje weg en durft ze hem te volgen. Opnieuw stuift hij op haar af. Ze zou hem waarschijnlijk het liefst een draai om de oren geven, maar speelt een jong wat bedelt, met afhangende fladderende vleugels. En daar kan hij niet tegen, die taal snapt hij. Nu weet hij ook dat er een romance kan opbloeien en bezegelt dit door haar voedsel aan te bieden. Tegelijkertijd beoordeelt het vrouwtje dit voergedrag en weet ze of het een goede partner zal zijn. Het komt goed uit, want vlak voor het broedseizoen kan ze wel wat extra’s gebruiken. De relatie is nog teer, een verkeerd liedje en het is hommeles, maar meestal gaat het goed. Anders zouden er nooit jonge roodborstjes komen.

Roodborstjes nestelen laag bij de grond, in struikgewas, een hoop dode takken, een oud vat of in een klimplant tegen een muur. Ze zijn niet zo kieskeurig, als het maar goed verstopt is. Ze zijn te vinden in bossen, heggen, parken en tuinen. Het vrouwtje broedt de 4-6 eitjes alleen uit in twee weken tijd, meestal in de periode april-juni. Ze wordt door manlief van eten voorzien, hij komt vaak om de drie uur langs met een hapje. De eerste drie weken na het uitkomen worden de jongen door beide ouders gevoerd. Maar als het vrouwtje opnieuw eitjes gaat leggen zorgt de man alleen voor de jongen. Twee legsels is gebruikelijk bij roodborstjes. De jongen hebben een bruin gevlekt verenkleed en krijgen pas bij de eerste rui –in de herfst- een rode borst. Dat is niet voor niets, het is een goede camouflage en het roept geen agressie op bij de ouders. Anders zouden die hun jongen aanvallen en dat is niet de bedoeling. De jongen zoeken nog voor de winter hun eigen territorium.

Gemiddeld wordt een roodborstje twee jaar oud. In potentie kunnen ze echter veel ouder worden. De oudste roodborst komt uit Nederland. Dankzij de ringen aan zijn pootjes weten we dat deze maar liefst 20 jaar is geworden. Ook is er een Tsjechisch geval van een roodborst die 19 jaar werd. Ze vallen echter vaak ten prooi aan andere dieren of overleven de winter niet. In het zuiden van Frankrijk, noordelijk Italië en Malta is de roodborst een graag geziene lekkernij en tevens een lastige bijvangst; daar worden in het kader van plaatselijke folklore vogels met een lijmstok bejaagd. Gelukkig is dit gebruik per oktober 2020 verboden. In andere gebieden en landen wordt de roodborst beschermd. 72% van de jonge vogels overleeft het eerste jaar niet en 65% van de volwassen roodborstjes zijn binnen twee jaar dood. Dan is het wel te begrijpen dat er jaarlijks zoveel mogelijk eitjes worden uitgebroed.

Het roodborstje eet insecten, larven, spinnen, slakken en wormen. In de winter staan ook zaden en besjes op het menu. Roodborstjes zijn geen scharrelaars wat eten zoeken betreft. Nee, als ze een prooi zien zitten ze stil, laag boven de grond en duiken er dan in één keer op. De roodborsten die in of vlakbij een tuin wonen, mogen graag de voedertafels bezoeken. Meestal zie je ze op de grond waar ze gevallen zaadjes oppikken. Ze genieten van een maaltje meelwormen en ongekookte havermout.

Nu we weer bij het roodborstje in de tuin zijn, zal het menigeen opvallen dat ze soms vlakbij de mensen zijn. Ben je aan het spitten of harken dan is er meestal wel eentje in de buurt. In de winter zijn dat vaak de Scandinavische roodborsten, de wintergasten dus. Die zijn minder schuw dan ‘onze’ roodborstjes.

Alhoewel het een vogel is met een agressief karakter jegens soortgenoten, de relatie met de mens is verrijkend te noemen. Want wat beleven we een plezier aan dat kleine bolletje. Dat hij tegen een raam of spiegel tikt kunnen wij zien als een verzoek om binnen te komen, in werkelijkheid valt hij zijn spiegelbeeld aan. Maar het zij hem vergeven (nadat we het spiegelend oppervlak hebben bedekt). In de lente zingt hij ons wakker met een prachtig parelend liedje. Ook het vrouwtje zingt net zo mooi. Roodborstjes zingen het hele jaar door, alleen in de broedperiode hebben ze het nogal druk. Dan blijft het er wel eens bij. We blijven van het roodborstje genieten, het meest geliefde vogeltje van talloze mensen.

naar top van pagina

Winterkoning (Tommelid, Tomke)


Foto: Luc Hoogenstein
algemeen

De winterkoning en koning winter zijn geen vrienden. Winterkoninkjes hebben het erg zwaar tijdens lange vorstperiodes. Omdat ze als hoofdvoedsel insecten eten, is het lastig om aan eten te komen tijdens de kou. En dit kleine vogeltje weegt maar 8 of 9 gram, net zoveel als een 2 euro munt. Dan moet je iedere dag wel je best doen om dat lijfje warm te houden. Hij is heel beweeglijk, dat scheelt. Maar dan verbruik je ook energie. Door gebrek aan eten halen veel winterkoninkjes helaas het eind van de winter niet. Je zou zeggen: vertrek maar lekker naar een warmer oord en kom in de lente weer terug. Maar zo zit de winterkoning nu eenmaal niet in elkaar. In Nederland is hij een standvogel en woont hier het hele jaar door. De zachte winters van de laatste jaren zijn dus een zegen voor dit vogeltje met de naam van zijn grootste tegenstander. De winterkoninkjes uit het noorden trekken wel naar warmere gebieden en komen ook bij ons overwinteren. Ze leggen daarvoor wel 2.800 km. af, een niet geringe prestatie voor zo’n klein hummeltje! (bron: onze natuur)

Ze zijn dan wel klein – kleiner dan een mus - maar maken lawaai voor twee. Wat komt er een luid, welklinkend gezang uit dat keeltje. Zomers en winters, zingen doet hij als de beste. Het is een koddig vogeltje, bolrond met een eigenwijs omhoog gericht staartje. Gekleed in een bruin gevlekt verenpakje met een beige wenkbrauwstreep, een fijn snaveltje en dunne pootjes. Ze leven laag bij de grond en hebben beschutte, veilige plekjes nodig om te broeden. In loofbossen en gemengde bossen met veel onderbegroeiing wonen ze graag. Maar ook in tuinen en stadse omgeving vind je ze.

Zijn er struiken, rommelhoekjes, dichte vegetatie en takkenhopen aanwezig, dan vindt je er een winterkoning. Kortom, ieder type landschap wat hieraan voldoet, vormt een leefgebied voor winterkoninkjes. Verspreid over de wereld leven ze in Europa, Noord Amerika, Noord Azië, en dan soms wel boven de 2000 mtr. hoogte (Alpengebied). Heel bijzonder dat ze in Tibet op 5500 meter hoogte broedend zijn aangetroffen. En de winters aldaar kunnen ze tot een hoogte van 4500 meter goed doorstaan. Die winterkoninkjes zullen vast een andere achtergrond hebben dan de koukleumen in onze tuin. Ze zijn in ieder geval goed gehard. Van oorsprong komt de winterkoning uit Amerika, waar zijn familie nog steeds woont. Als enige telg is hij als een soort ontdekkingsreiziger via Alaska Europa’s oude wereld binnen getrokken. Waar een klein vogeltje groot in kan zijn!

In het prille voorjaar doet de winterkoning wat alle vogels doen: zich voortplanten. Hij is nogal territoriaal aangelegd en zingt graag vanuit een duidelijke uitkijkpost een beetje in het rond. In maart begint zijn lied luidruchtiger te worden. Door vrouwtjes stevig te achtervolgen probeert hij hun aandacht te trekken. Hij heeft inmiddels in zijn leefplekje een stuk of 6 nesten gebouwd. Bolvormig, met aan de zijkant een ingang. Zingend, met zijn vleugels trillend lokt hij een vrouwtje naar zich toe en toont de nesten. Het is de vrouwen niet altijd naar de zin. Verkeerde plek, slordig in elkaar gezet, te groot of te klein, het is niet snel goed. Vrouwlief verlaat dan ook meteen haar aanbidder om een andere man te zoeken. Maar als het klikt dan mag zij het nest uitkiezen waar gebroed gaat worden. Zij bekleed het met zacht materiaal. De nesten bevinden zich meestal in kreupelhout, dichte vegetatie, klimop, een gat in de muur, takkenhoop, boomspleet of een nestkast. Het wordt zelden hoger dan 3 meter boven de grond gemaakt. Vrouwtje legt 5 tot 8 eitjes die ze zelf bebroed. Na 14 dagen komen de jongen uit het ei en begint de taak hen te voeren. Zolang ze nog in het nest zijn trekt man zich er niet al te veel van aan. Hij vermaakt zich prima met zingen. Maar gebruikt de tijd ook om met andere vrouwtjes een relatie aan te gaan. Hij heeft immers nog wel wat nesten in de aanbieding. Zijn vaderlijke gevoelens worden wakker op het moment dat de jongen uitvliegen. Dan zorgt hij voor slaapplekjes en voedsel. Meestal beginnen pa en ma dan ook aan een tweede legsel. Tenminste, als ma nog niet verdwenen is met een andere winterkoning, maar dan is er wel een ander bereidwillig vrouwtje in de buurt. Ze nemen het niet zo nauw. Je kansen spreiden, heet dat.

Voedsel vinden is vaak geen probleem. Insecten, spinnen, kevers, larven, mieren, luizen, er staat van alles op het menu. Alleen in de winter , bij langdurige kou en vorst, heeft de winterkoning het zwaar. Als het streng vriest verbrandt hij zomaar 10% van zijn gewicht om warm te blijven. Winterkoninkjes zoeken elkaar dan op en kruipen stijf tegen elkaar aan in een nestje. Ooit vond iemand wel 60 winterkoninkjes in één nestkastje. Dan lukt het hen meestal wel om hun hoge lichaamstemperatuur van ongeveer 40 graden te behouden.

De naam winterkoning dankt hij echter niet aan deze feiten. Dat is omdat hij als één van de weinige vogels ook in de winter zingt. In volksverhalen wordt de winterkoning als koning der vogels vereerd. Een gedeelte plek met de arend. Vogels van de wereld waren op zoek naar een leider en degene die het hoogst vloog mocht zich koning noemen. De arend vloog het hoogst…maar op zijn rug was een winterkoning meegelift, die dus net een stukje hoger had gevlogen. Ze besloten de titel van Koning te delen en in de winter mocht de winterkoning dit op zich nemen.

De aantallen winterkoningen in Nederland zijn bemoedigend te noemen. Tot 600.000 broedparen werden er in 2015 geteld (Sovon). We kunnen blijven genieten van dit kleine vogeltje door te zorgen voor voldoende struiken, dichte vegetatie, rommelhoekjes, onderbeplanting bij bomen en door niet alles netjes aan te harken of weg te bladblazeren. Want onder de blaadjes in de tuin leven talloze kleine beestjes die nuttig zijn voor de bodem én voedsel vormen voor insectenetende vogels zoals de winterkoning.

naar top van pagina

Huismus (Mosk)


Foto: Mark Zekhuis
algemeen, maar afnemend in aantal

Wie kent deze brutale rakker eigenlijk niet? Het is een van de meest algemene vogels die we hier kennen. Waar mensen wonen, voelt ook de huismus zich thuis. 's Winters zijn ze op voederplaatsen zeer actief en nadrukkelijk aanwezig en ze zien er niet tegen op om andere vogels te verdrijven, zelf vogels die vele malen groter zijn dan zijzelf. Het zijn echte standvogels die zich in hun leven maar een paar kilometer verplaatsen.
Het mannetje huismus heeft een grijze kruin en stuit, buik en wangen zijn wittig. Verder zijn een zwarte keelvlek en in de broedtijd de zwarte snavel kenmerkend. De vogel lijkt wel wat op de ook vrij veel voorkomende ringmus, maar de huismus mist de zwarte wangvlek, de bruine kruin en de witte halsring. Het vrouwtje huismus is wat lichter en saaier van kleur.
Het overdreven grote nest van de huismus vindt men meestal onder dakpannen, maar ook wel een enkele keer in een nestkastje of in scheuren in muren, in de klimop e.d. Door het steeds gladder en strakker afwerken van de moderne huizen en tuinen verliezen de huismussen. U kunt de huismus helpen door broedgelegenheid aan te bieden door zogenaamde mussen nestkasten op te hangen.
Eet voornamelijk zaden waardoor hij geruime tijd als schadelijk te boek stond. 's Zomers wil de huismus ook nog wel eens insecten aan zijn menu toevoegen. Langzaam vliegende insecten kan hij nog wel eens verschalken maar vlinders zijn deze, van oorsprong zaadeter, al gauw te snel af. De onhandige manier waarop huismussen achter insecten aan zitten is vaak een komisch gezicht.

naar top van pagina

Ringmus (Fjildmosk)


Foto: Piet Munsterman
plaatselijk algemeen maar afnemend in aantal

Een mus is een mus wordt er vaak gedacht, maar dit is niet altijd zo. Naast de huismus kennen we ook nog de ringmus. Vaak is hij in het gezelschap van de huismus, maar de ringmus is toch meer een vogel van het platteland en boerenbedrijven, terwijl de huismus zich graag in steden en dorpen manifesteert.
In tegenstelling tot de huismus zijn bij de ringmus het mannetje en vrouwtje nagenoeg gelijk. De ringmus onderscheidt zich van de huismus door zijn chocoladebruine kruin (bij de huismus grijs) en doorlopende witte halsring met zwarte vlekken op de witte wangen. Verder onderscheiden de twee soorten zich doordat de ringmus iets kleiner is en over het algemeen een frisser voorkomen heeft.
Broeden doet de ringmus het liefst in holle bomen, hagen, struiken e.d. Maar ook wel in nestkastjes, waar hij niet zelden in conflict raakt met koolmezen en pimpelmezen, die dan meestal moeten wijken. Zang lijkt op dat van de huismus maar is helderder.

naar top van pagina

Vink (Skelfink)


Foto: wikipedia
algemeen

Het mannetje kennen we eigenlijk allemaal wel, een bont gekleurd vogeltje ter grootte van een mus: grijsblauw op de kop en in de nek, zwart voorhoofd, kastanjebruin op borst en rug. Het vrouwtje wordt echter minder snel als vink herkend. Het vrouwtje is als geheel meer olijfkleurig.
Beide geslachten zijn echter in de vlucht duidelijk te herkennen aan de opvallende witte staartveren en vooral de witte vlek op de schouders. Een wat onopvallend gekleurd vogeltje met een duidelijk opvallende witte vleugstreep is dus onmiskenbaar een vrouwtjesvink.
Bekend is de zogenaamde 'vinkenslag'. De bekende krachtige, melodieuze zang die in een slag eindigt. Algemeen in bossen, tuinen en parken. Gedeeltelijk trekvogel, maar 's winters toch talrijk foeragerend rond voederplaatsen.

naar top van pagina

Turkse tortel (Turkske toarteldo)


Foto: Tjeerd Geertsma
algemeen

Een succesverhaal; werden er in 1950 nog maar 1-5 paren Turkse tortels waargenomen, anno 2000 zijn er in Nederland meer dan 100.000 paren.
De vogel houdt zich bij voorkeur op in de buurt van de mens: struik- en boomrijke steden en dorpen zijn dan ook voornamelijk zijn domein. Hij is kleiner dan een tamme duif. Zittend is hij van aanzien overwegend zandbruin van kleur met een opvallende zwarte band om de nek. In de vlucht valt de lange staart op met een zwarte basis en wit uiteinde.
Opvallend is de baltsvlucht. Wie er een beetje oog voor heeft, kan dit prachtige schouwspel in de nawinter regelmatig aanschouwen. Vanaf een hoge zitplaats (liefst een antenne) vliegt de Turkse tortel, met veel geklepper van de vleugels en luid roepend, schuin omhoog om met gespreide vleugels en staart weer terug te keren op de zitpost.
Broedt meestal in de onmiddellijke nabijheid van bebouwing in klimop of conifeer. Het als regel gammele nest is vrij moeilijk te vinden. Deze vogel heeft in het algemeen een lang broedseizoen, zelfs in de winter kan men hem broedend aantreffen. Dit verklaart waarschijnlijk ook het succes van de soort.

naar top van pagina

Ekster (ekster, akke, akketsjoenster)

Ekster
Ekster
Foto: Tjeerd Geertsma
algemeen

Veel mensen hebben een hekel aan eksters. Maar is dat wel terecht? Het zijn prachtige, statige dieren om te zien en ze zijn zeer slim. Je hoort vaak het gekrijs van eksters, maar als je goed luistert naar een paartje, hoor je een zacht zingend/babbelend melodietje. Het zijn kraaiachtigen en ze horen bij de orde zangvogels, al zou je dat niet zeggen.

Ook al zijn er sinds de 1980 minder eksters geteld, het lijkt alsof je ze overal ziet. Dat is het slimme van de ekster, hij past zich heel goed aan en is vaker te zien in dorpen en steden. De mens plant hooggroeiende populieren, wat de ekster naar die plekken trekt. Eksters maken graag hun nest in hoge bomen, tot frustratie van kraaien, die eenzelfde voorliefde voor hoge bomen hebben. Eksters worden dan ook weggejaagd door kraaien. Maar weer toont de ekster zijn slimheid: hij maakt eerst diverse proefnesten en observeert dan of deze door de kraaien worden vernield. Zo niet, dan is dat een veilige plek voor de gezinsvorming. Eksters zie je niet in dichte bossen, ze verblijven liever aan de randen, in boomwallen en in tuinen met hoge bomen.

Het voedselaanbod in de buurt van mensen is aantrekkelijk voor eksters. Hun hoofdvoedsel bestaat uit insecten, spinnen, rupsen, wormen en plantaardig materiaal zoals zaden en vruchten. Maar ook brood en etensresten van de mens. Daarnaast zijn het ook nog eens aaseters. Een ekster kan dode dieren ruiken en ruimt de restanten op. Een nuttige vogel dus bij mensen in de buurt! Ook schapen en koeien profiteren van de ekster, hij pikt vervelende parasieten van hun rug en nek. Het percentage muizen, hagedissen, eieren en jonge vogeltjes in het ekstermenu is vrij klein te noemen. Dat mensen hen zien als grote vogeltjespredatoren komt omdat de ekster dit in het openbaar doet, zichtbaar voor iedereen. En ja, dan heb je zomaar een stempel. Net als het feit dat ze gezien worden als vogels die glimmende voorwerpen pikken. Een ekster is nu eenmaal reuze nieuwsgierig en onderzoekt ‘vreemde’ voorwerpen graag. En dan neemt hij ze wel eens mee om het verderop te bestuderen. Je weet immers maar nooit of je het nog kunt gebruiken (een menselijke eigenschap…)

Een bijzonderheid is dat de ekster één van de weinige dieren is die zichzelf herkent in een spiegel en dus een vorm van zelfbewustzijn heeft. Dat heeft een wetenschappelijk onderzoek uitgewezen.

Eksters hebben één broedsel per jaar. Een paartje eksters blijft hun levenlang bij elkaar en zijn monogaam. Een enkele keer wordt een vreemd vrouwtje het hof gemaakt, maar als de huidige partner dit merkt volgt er een hardhandige confrontatie. Ontrouw wordt niet getolereerd.

Meestal leggen eksters 5-7 eitjes in hun zelfgebouwde ruime, overdekte nest. Drie weken later zijn er jonge eksters die ongeveer 30 dagen op het nest blijven. Daarna blijven ze nog een week of zes in de buurt en worden gevoerd. Dan komt de tijd dat ze zich aansluiten bij andere jonge eksters en de komende drie jaar in deze pubergroep blijven. Van elkaar leren ze zich staande te houden in de vogelwereld.

Meer over eksters: 

Jonge eksters in de tuin

naar top van pagina

Tjiftjaf (Tjiftjaf)

Tjiftjaf
Tjiftjaf
Algemeen

In bossen , parken en tuinen zijn ontzettend veel van die kleine, bruine vogeltjes. En zie die maar eens uit elkaar te houden. De tjiftjaf en de hierna beschreven fitis zijn zo’n stel. Ze hebben dezelfde voorouders en worden ook wel tweelingvogels genoemd. Ze zijn wel met elkaar te kruisen, maar er zijn slechts sporadisch vogeltjes ontdekt die aan de zang te horen zowel tjiftjaf als fitis kenmerken hadden. Het vrouwtje is nl. kieskeurig en wil een mannetje wat dezelfde zang heeft als zijzelf.

Dat is voor ons mensen ook handig, want de tjiftjaf heeft een heel ander geluid dan de fitis. De tjiftjaf roept zijn eigen naam op een vrij eentonige manier. Zijn wetenschappelijke naam collybita kun je vertalen als geldwisselaar. En ja, zijn roep/zang lijkt wel wat op het monotone geluid van muntgeld op tafel tellen.

In het vroege voorjaar is het een welkom geluid. De tjiftjaf opent het seizoen van de terugkerende trekvogels. Vanuit landen rondom de middellandse zee vliegt hij in enkele weken naar het noorden en hoor je hem als eerste zingen.

En dan is het tijd voor gezinsvorming. De tjiftjaf woont het liefst in een gebied met hoge bomen waar veel onderbegroeiing is. Het is een druk vogeltje, die graag veel heen en weer scharrelt tussen de bosjes maar ook hoog in boomtoppen. Want dat zingt zo lekker. Een nestje maken doet de tjiftjaf laag bij de grond. Dat is het werk van het vrouwtje. Die fabriceert een knus, bolvormig nestje, dik bekleed met zachte veren en een handige zij ingang. Beide nemen het niet zo nauw met de trouw. Mannetje tjiftjaf heeft als doel te zorgen voor zeer talrijk nageslacht. Het vrouwtje verwelkomt meerdere mannetjes. Als er maar genoeg eieren komen, dat is het doel. Het eerste legsel kan wel 6-7 eitjes bevatten, het (soms) tweede legsel bestaat uit 2 of 3 eitjes. Na twee weken komen de vogeltjes uit het ei. Moeder tjiftjaf heeft het dan nog enkele weken druk met voeren. Omdat ze de nestingang geheim wil houden, voert ze tussen de kieren en spleten van het nest. Vader bemoeit zich niet meer met zijn gezin. Na drie weken nestverblijf ziet hij zijn jongen vast wel eens rondvliegen, op zoek naar eten. De tjiftjaf eet kleine insecten, rupsen, muggen, spinnen, luizen, larven, etc. Blaadjes van bomen en op de grond worden zorgvuldig bekeken door dit vogeltje, er is altijd wel iets te eten. En anders zijn er wel bessen en overrijpe kersen te vinden.

Maar hoe onderscheid je nu een tjiftjaf van een fitis of ander bruin vogeltje? Voornamelijk door de zang, het roepen van de eigen naam. Verder kun je letten op de pootkleur, die is bij de tjiftjaf donker. De tjiftjaf is onrustig, zit niet lang op dezelfde plek. Tijdens het eten zoeken slaat de tjiftjaf langzaam met zijn staart, een fitis doet dit nooit. Omdat de tjiftjaf niet zo ver reist als de fitis, heeft de tjiftjaf kortere vleugels. Het buikje kan iets witter zijn dan de fitis en de gele wenkbrauwstreep iets geler. Kleine details die aangeven dat het toch wel verschillende vogeltjes zijn.

naar top van pagina

Fitis (Fitis)

Fitis
Fitis
Algemeen

Eén ding is zeker: wanneer je denkt een tjiftjaf te zien en je hoort een melodieus, in toon aflopend liedje, dan is het de fitis, de dubbelganger van de Tjiftjaf. Deze tweelingvogeltjes kun je eigenlijk alleen maar uit elkaar houden door te luisteren naar de zang. De fitis heeft weliswaar lichte pootjes, maar zie je dat altijd??

Het trekgedrag van de fitis verschilt iets van de tjiftjaf. Ze vliegt verder en is dus langer onderweg. Daarom heeft ze ook langere vleugels dan de tjiftjaf. Is de tjiftjaf al in maart terug in ons land, de fitis komt april, mei binnendruppelen. Het is dan ook een heel eind van en naar Afrika. Zowel in de savanne als in het regenwoud, tot aan Zuid-Afrika toe vind je dit kleine vogeltje in onze winters. Voordat ze die lange reis maakt volgt ze een streng dieet: zoveel mogelijk eten. Want die 8 gram die ze weegt moet verdubbeld worden. En dan gaat ze op reis, ’s nachts. Ze vertrekken meestal als eerste vogels, eind juli begin augustus. Het is trouwens een klein sterrenkundig wondertje. Aan de hand van sterrenbeelden en haar gevoel voor tijd, weet ze precies waar ze is. Dat zit allemaal in dat kleine bolletje. De eerste keer als jong vogeltje vliegt ze liever met de ouderen mee. Je moet het tenslotte leren, nietwaar? In het groene warme Afrika kan ze haar buikje vol eten. Tot er in de lente een kriebeltje in haar komt wat zegt dat ze terug moet naar het noorden. Nestelen, eitjes leggen. En de lange reis begint weer voor minstens drie miljard vogeltjes. Al weten ze zelf niet goed waarom.

In een terrein met lage begroeiing van struiken en grassen, bv. langs de waterkant, of in verwaarloosde heggen maakt het paartje op de grond een nest. Een bolvormig nest met een kleine opening. Hierin legt het vrouwtje 7-9 eieren. Na 13 dagen broeden komen de eitjes uit. De jongen worden dan nog een paar weken gevoerd op het nest en twee weken nadat ze uit het nest zijn gegaan. Het leren vliegen is wel makkelijk voor de jongen. Het nest bevindt zich immers op de grond.

De fitis broedt één keer per jaar.

Het eten van de fitis bestaat insecten, larven, rupsen vliegjes, vlinders, bladluizen, kortom een gevarieerd menu.

Een niet al te bekend vogeltje, die fitis. Ze is dan ook bescheiden, je hoort en ziet haar niet zo vaak. Maar het is een beauty, met een zachtgeel buikje, gele wenkbrauwstreep en duidelijke oogstreep. En zoals gezegd bijna het evenbeeld van de tjiftjaf, maar toch met een heel eigen verhaal.

naar top van pagina

Tuinfluiter (Tûnsjonger)

Tuinfluiter
Tuinfluiter
Foto: Jussi Vakkala
Vrij algemeen

De tuinfluiter lijkt een saai vogeltje: leeft verborgen tussen struiken en struweel, heeft geen mooie tekening in het verenkleed, is zo groot als een mus en je ziet haar eigenlijk nooit. Maar zoals ieder schepsel heeft ook dit vogeltje haar bijzonderheden. Ze kan heel mooi zingen, de zang lijkt wel wat op merelzang maar dan in een snel tempo. Verder heeft ze haar naam een beetje tegen, want in tuinen kom je haar zelden tegen. Liever verblijft ze in jonge bosjes, struiken, dichte heggen langs het boerenland met hoge bomen in de buurt. Maar ze is ook een vogel van koele plekken in ravijnen en op begroeide berghellingen op een hoogte van ongeveer 2 kilometer. Ze wil graag een koel plekje om te broeden. Het is dan ook een trekvogel. In Nederland vindt ze het koel genoeg om te broeden en in de winterperiode gaat ze naar Afrika.

De trekroute van de tuinfluiter is een zgn. cirkeltrek. Ze gaan niet langs dezelfde route heen en terug. In het najaar vliegen ze via Spanje, Portugal en Gibraltar. In het voorjaar gaat de reis via Sicilië en Italië. Best slim bedacht, want zo kunnen ze profiteren van de heersende winden op verschillende tijdstippen van het jaar. Tijdens de trekperiode zijn er ook veel doortrekkers in Nederland te zien, afkomstig uit Duitsland of Scandinavië. Het is een fikse onderneming, de trek. Tuinfluiters zorgen ervoor dat ze hun gewicht verdubbelen van 18 naar 37 gram om zo de Sahara te kunnen overvliegen.

Tuinfluiters zijn gevoelig voor het weer (net als vele andere vogels). Een zware regenval boven zee in 1991 zorgde ervoor dat er honderden tuinfluiters dood aanspoelden op een strand in Spanje. Eenmaal weer in ons land gaat de tuinfluiter op zoek naar een nestplek. Ze maken een nest niet al te hoog boven de grond (max. 2,5 meter hoogte) in dichte struiken. Man en vrouw maken met weinig werk een nest, het is meestal komvormig gemaakt van dunne twijgjes en halmen. Een vrij wankel geheel. Wonderlijk genoeg is de tuinfluiter ook een waardvogel voor de koekoek. Wanneer zo’n groot koekoeksjong in dat nestje opgroeit zou je wensen dat het wat steviger is gemaakt.

Vrouwtje tuinfluiter legt meestal 4-6 eitjes die ze alleen uitbroedt. Een eventueel aanwezig koekoeksjong eet gewoon mee. Na 11, 12 dagen komen de jongen uit het ei en blijven nog 9-12 dagen in het nest. Daarna worden ze nog drie weken door de ouders gevoerd. Het voedsel bestaat uit insecten, larven en spinnen. Later in het jaar eten ze ook bessen en ander zacht fruit.

Tuinfluiters broeden in het hele land. Het aantal blijft vrij stabiel al is er sinds 2000 een lichte daling gezien. De reden daarvoor is onbekend.

naar top van pagina
Roofvogels

Sperwer (Sparwer)


Foto: Jan Nijendijk
niet algemeen

Het gebeurt nog wel eens dat men een roofvogel vindt, die zich dood gevlogen heeft tegen een vensterruit. Meestal is dit een sperwer. Zijn jachtmethode is overrompelend, woest en fel. Vooral 's winters heeft hij het vaak voorzien op vogeltjes die gebruik maken van voedertafels bij de huizen. Door zijn driestheid maakt hij nogal eens een inschattingsfout die hij soms met de dood moet bekopen.
Het vrouwtje is veel groter dan het mannetje en lijkt wel wat op de havik, maar ze is slanker en heeft een langere rechthoekige staart met een opvallende bandering. Opvallend is de lichte onderzijde met donkerbruine dwarsstrepen. Dichterbij zijn de geel omlijnde ogen en de gele poten kenmerkend. Het mannetje heeft een oranjebruine borst, de bovenzijde is opvallend blauwachtig.
Is voornamelijk in het bos te zien, maar ook langs bosranden, boomsingels en hagen. Heeft een snelle vleugslag, afgewisseld met glijvluchten. Met hun relatief korte, stompe vleugels kunnen ze goed tussen de bomen manoeuvreren. Hun lange staart is goed van dienst bij het sturen.

naar top van pagina

Ransuil (Katûle)


Foto: Mark Zekhuis
vrij algemeen

In ons land, naast de bosuil, de meest voorkomende uilensoort. Ongeveer zo groot als een kraai met opvallende helder oranje ogen en grote oorpluimen.
Is een echt nachtdier die men overdag zelden te zien zal krijgen. Alleen 's winters wel eens in groepjes te zien aan de buitenkant van bijvoorkeur coniferen, maar ook in struiken en klimop alwaar ze zich lijken op te warmen in het zonnetje.
Bij gevaar maakt de ransuil zich klein en neemt een gespannen houding aan. Voelt de ransuil zich op zijn gemak dan wordt zijn contour plomper.
Leeft voornamelijk van muizen en spitsmuizen, maar 's winters slaat hij in de schemering ook wel kleine vogeltjes. Als broedplaats kiest hij meestal verlaten nesten van vogels als kraaien en duiven. Maar nestelt ook wel op de grond.


Meer over de Ransuil:
naar top van pagina

Steenuil (Stienûle)


Foto: Piet Munsterman
zeldzaam

Kleinste van de bij ons broedende uilen, ongeveer zo groot als een merel. In verhouding grote ogen met een gele iris waardoor hij z'n typisch strenge uiterlijk krijgt.
Zijn vlucht is golvend als dat van een specht. Verder vallen zijn korte staart en ronde vleugels op. Zit veel op palen en daken en wipt en buigt bij onraad. Ook overdag kan men hem gewoon zien zitten. Niet zelden met een groep verontruste luid kwetterende zangvogeltjes om hem heen die hem snel vervelen en doen zoeken maar een andere rustplaats.
Verkeert het liefst in de omgeving van knotwilgen waarin hij ook broedt. Maar ook in gaten van gebouwen nestelt hij wel. Opvallend is dat de nestholte altijd twee uitgangen heeft.
Roept zowel overdag als 's nachts een mauwend (wordt ook wel 'katuil'genoemd) 'kiew' 'kiew' wat zich met enige fantasie laat vertalen als 'kom mee', 'kom mee'. Vroeger ontleende men hieraan het bijgeloof dat de steenuil de verkondiger van de dood aan de zieken was.


Meer over de Steenuil:
naar top van pagina

Buizerd


Vrij algemeen

Wonend in een bosrijke omgeving viel het me op dat er altijd wel ergens buizerds vliegen. Zo ook 300 meter achter ons huis, gescheiden door een heel groen weiland, wonen een stel buizerds al jaren in het kleine stukje bos. Ze vliegen hoog door de lucht, gebruikmakend van thermiek. Ze zitten op de enige paal die nog langs de slootkant staat, maar ook in de elzen rondom het erf om de wereld te bekijken. Wat een statige vogels. En dan dat geluid: klagend miauwen, wat ons ‘in den beginne’ wel eens heeft aangezet tot zoektochten in de bosjes. We hoorden toch echt jonge katjes miauwen…..

Er zijn veel buizerds in Nederland. Na 1975 is de groei er in gekomen en in 2015 werden er door Sovon 17.000 broedparen geteld. In de wintertijd zijn het er veel meer, denk maar aan 50.000. Dan trekken buizerds uit Scandinavië, Finland en Rusland richting zuidelijke landen om te overwinteren. In het noorden is in die periode geen buizerd meer te vinden. Sommigen blijven hier in Nederland, anderen vliegen wat verder naar de warmte.

De buizerd is een roofvogel. Wat is dat eigenlijk, een roofvogel? Daarover zijn ooit afspraken gemaakt. Voor een handige vogel-indeling zijn er families bedacht en wie daaronder vallen. Het uiterlijk is de eerste leidraad om een dier te kwalificeren als vogel, dat noem je taxonomie. Ze moeten vleugels en veren hebben. Kijkend naar evolutionaire ontwikkelingen kun je dan herkomsten beschrijven. Bepaalde vogels hebben dezelfde voorouders als sommige dinosauriërs. En van de levende dieren zijn vogels het meest verwant aan krokodillen. Dat zou je niet zeggen als je musje ziet vliegen. Dat een roofvogel als aparte groep wordt beschreven is op basis van taxonomie. En de betreffende groepen hebben ze ook weer onderverdeeld. Zo is een uil geen roofvogel, heeft men besloten. Want die hoort bij een aparte groep. Uiteraard valt er veel op af te dingen, maar keuzes moesten nu eenmaal gemaakt worden om een beetje grip te krijgen op de vele soorten vogels. (bron vogelbescherming)

Voor ons is de buizerd een soort sleutelvogel. Andere roofvogels worden altijd eerst met de buizerd vergeleken. Dan kijk je welke afwijkende kenmerken er zijn en zo wordt een andere roofvogel beschreven (staart is langer, vleugels zijn meer opgericht, etc).

De buizerd is jarenlang een gehate vogel geweest. Hij zou de grote rover zijn van konijnen, kleine vogeltjes, hij zou weidevogels verjagen etc. Ze werden vergiftigd doordat ze muizen of aas aten waarin gif zat. Onbedoeld kwam dat door het gebruik van gifstoffen door de mens (DDT o.a.) Maar de buizerd werd tevens gericht vervolgd. Nesten werden vernield en eieren kapot gemaakt Dat is in Friesland nog lange tijd doorgegaan. Gelukkig zijn veel gifstoffen verboden en zijn natuurbeschermers alerter geworden. Het tij lijkt gekeerd voor deze bijzondere roofvogels.

Een imponerende vogel, met grote klauwen, een scherpe gekromde snavel, korte nek en grote vleugels die traag en wat stijf door het luchtruim klieven. Zijn hoofdvoedsel is de muis. Hij heet niet voor niets in het fries Mûzebiter (muizenbijter). Vanaf een paal of een boomtak spiedt hij naar muizen of kleine zoogdieren zoals konijnen, hazen, mollen, ratten, eekhoorns. Is het een goed muizenjaar dan bestaat zijn menu voor 70-98% uit muis. Maar in hongerige tijden eet hij ook wel vogels, grote insecten, reptielen en regenwormen. Daarnaast is hij als aaseter vaak te zien langs de wegen, zittend op een paal en wachtend op een doodgereden dier. In de broedtijd heeft de buizerd een stel extra snaveltjes te voeden, dus veel prooien vangen is belangrijk.

Buizerds leven meestal solitair, maar zoeken elkaar op in de broedtijd. Of de vogels trouw zijn aan elkaar is niet duidelijk. Informatie hierover spreekt elkaar tegen. Feit is wel dat de buizerds bij ons achter het huis steeds dezelfde zijn, een donkere en eentje met een witte buik.

Binnen hun territorium (anderhalve vierkante kilometer) hebben ze meerdere nesten. Soms kiezen ze dezelfde uit als vorig jaar en knappen de boel op. Een nest kan wel een meter doorsnee hebben en is ongeveer 60 cm diep. Dan mag het de naam horst zeker hebben! Maar er wordt ook wel eens een ander nest verkozen. Bv. een oud kraaiennest kun je ook leuk renoveren. Weer een nieuwe horst erbij. Na prachtige baltsvluchten, waarbij ze sierlijk om elkaar heen draaien hoog in de lucht, is het tijd voor het echte werk. Het stel legt één keer per jaar 2-4 eieren. Vrouw buizerd bebroedt de eieren 33-38 dagen achtereen. Meteen nadat het eerste ei is gelegd begint ze met broeden. Manlief verzorgt de maaltijden. Wanneer er een kuiken uit het ei komt geeft het vrouwtje het voedsel op gepaste wijze aan het jong. De jonge buizerds hebben altijd enorme honger Moeder buizerd gaat daarom na een week of drie ook maar meedoen met het prooien vangen. De horst wordt zoveel mogelijk vrij van uitwerpselen gehouden. Jonge kuikens spuiten hun poep over de rand. Hoe ouder ze worden, des te verder kunnen ze spuiten. Je kunt de flatsen poep aardig ver van het nest af vinden. De jongen vliegen uit na ongeveer 60 dagen, maar worden nog 6-8 weken gevoerd door hun ouders. Pas wanneer ze een jaar of vier zijn, zijn ze geslachtsrijp en gaan op zoek naar een partner.

De horst wordt van februari tot september gebruikt, daarna is het verlaten. In de broedperiode is de horst het te verdedigen bouwwerk. Man buizerd doet dat met verve. Vooral wanneer de jongen vliegvlug worden, wensen de ouders hierbij geen pottenkijkers. Iedereen die ook maar in de buurt komt voelt als een dreiging. Mocht er toevallig een hardloper of fietser vlak langs het nest gaan, dan is er een kans dat de buizerd er achteraan gaat. Dat rennen en fietsen ziet hij als vluchtgedrag. De buizerd voelt zich daardoor moediger en doet er nog een schepje bovenop. Gelukkig zijn dit zeldzame incidenten. Van nature is de buizerd een schuwe vogel die liever zelf de benen neemt.

Wij genieten thuis van de buizerd familie die op gepaste afstand ons een kijkje gunnen in hun leven. Tegenwoordig zijn de buizerds zo talrijk dat je ze overal kunt zien, zelfs tot op de Waddeneilanden. Je komt ze dus letterlijk overal tegen en dat is iedere keer weer een geluksmomentje.

naar top van pagina

Zeearend (Goesearn)

Zeearend
Zeearend
Foto: Siebe Bouma
zeldzaam maar toenemend

Hij wordt de vliegende deur genoemd, maar eigenlijk is dat een onterechte naam. Want het is geen stijve deur die daar vliegt. Deze machtige grote, sterke vogel is verrassend sierlijk en wendbaar. Ja, zijn spanwijdte is net zo groot als een gemiddelde deur, dat is een handig weetje. De zeearend vliegt vanaf een boomtak weg met trage vleugelslagen afgewisseld met een zweefmoment. Vanaf de grond springt hij de lucht in en vliegt weg zonder een aanloop te hoeven nemen zoals zwanen dat doen. Een krachtige prestatie voor een vogel van ongeveer 7 kilo. Met hulp van de thermiek stijgt hij tot grote hoogtes.

In Nederland is deze bijzondere gast sinds enkele jaren gevestigd als broedvogel. Verspreid over het land zijn er stelletjes die in hun majestueuze nesten één of twee jongen grootbrengen. En Nederland zou Nederland niet zijn als er geen werkgroep voor dit dier is opgericht. De werkgroep Zeearenden volgt de vogels sinds 2017 en doet uiterst nuttig werk t.a.v. bescherming en onderzoek.

In 2006 werden de eerste zeearenden gezien in de Oostvaardersplassen. Ze begonnen te broeden tussen 2013 en 2015 en verspreiden zich over ons land. Het gaat niet zo snel, want zeearenden zijn pas geslachtsrijp als ze vijf of zes jaar zijn. Maar de gang zit er nu goed in. Inmiddels zijn er in 2020 maar liefst 20 broedparen geteld (SOVON). Zeearenden zoeken waterrijke gebieden als leefomgeving. Meren, grote rivieren en moerasgebieden zijn favoriet.

Een volwassen zeearend heeft hier geen natuurlijke vijanden. De eieren en jonge kuikens lopen wel gevaar door aanvallen van marters en andere roofvogels en een nest kan mislukken door verstoring door de mens. Dat is wel anders geweest. De zeearenden die verbleven in Noord- en Midden Europa hadden in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw te maken met vervolging en vergiftiging. Er werd veel gif gebruikt in de natuur(DDT). Zeearenden die aas aten kregen zo grote hoeveelheden pesticiden binnen over een lange periode. Ook werden zeearenden door mensen gezien als predatoren van ganzen en eenden. Daarom moesten ze afgeschoten of vergiftigd worden. Daarnaast werd hun leefgebied kleiner door toenemende bevolking en economische ontwikkelingen. Doordat ze beter werden beschermd en pesticiden werden verboden, ging het weer bergopwaarts. Vooral in Duitsland ontstond een grote populatie die ervoor zorgde dat de zeearend ook Nederland aandeed. De zeearend is door de eeuwen heen een wisselende bewoner van Nederland geweest. Oudste fossiele resten wijzen erop dat ze hier aanwezig waren in het Pleistoceen tijdperk, dat is zo’n 2,5 miljoen jaar geleden. Hier heerste toen een bijna subtropisch klimaat, warm en vochtig. Afhankelijk van het klimaat in de daaropvolgende eeuwen bleven ze hier of vertrokken weer, zoals in de 6 ijstijden die zich voordeden in dat tijdperk. Waren de omstandigheden verbeterd, dan keerden ze terug.(bron: naturalis) Zeearenden zijn dus gevoelig voor klimatologische omstandigheden.

Zeearenden zijn sociale dieren. De jongen zoeken elkaar vaak op nadat ze vliegvlug zijn geworden. De zeearend heeft geen territorium, hij vindt het geen probleem vlakbij soortgenoten te zijn, ook niet tijdens de broedperiode. Door middel van zijn baltsvlucht heeft de zeearend duidelijk gemaakt aan soortgenoten wat zijn broedplek is. De anderen ondernemen geen actie om dichterbij te komen. Een enkele keer is er zo’n durfal die het wel probeert en dan komt het tot een gevecht. Tijdens zo’n zeldzaam gevecht zie je hoe wendbaar zeearenden zijn. Ze grijpen elkaar vast met hun klauwen en gaan al tollend door de lucht. Een ware prestatie met die enorme vleugels!

Zeearenden blijven hun leven lang binnen hun broedgebied. In de herfst – winterperiode (september-februari) zijn er trouwens meer zeearenden te zien in ons land op allerlei plekken. Ook in Opsterland kun je ze tegenkomen. Dit zijn jonge zeearenden die rondreizen; Nederlandse, maar ook afkomstig vanuit het buitenland. Zolang ze nog geen partner hebben gaan ze de wijde omgeving verkennen. Even de wilde veren kwijtraken. ’s Winters wordt hun aanwezigheid veelal bepaald door het aanbod van voedsel.

Wat eet een zeearend? Het zijn grote vogels, dus ze lusten wel het één en ander. Hij zoekt het voedsel vanuit een zitplaats maar ook vliegend. Een zeearend kan al vliegend een prooi vangen. Een geliefde tactiek is om zijn prooi uit te putten. Hij kan wel tot 50 keer achtereen duikvluchten maken op een zwemmende eend, gans of meerkoet. Deze is op het laatst te moe om te duiken zodat het een makkie wordt voor de zeearend om het dier uit het water te pikken. De zeearend vangt vis op een andere manier dan een visarend. Die doet dat met een spectaculaire stootduik en gaat daarbij het water in, de zeearend pakt met gestrekte tenen een aan het oppervlakte zwemmende vis. In winterperiodes zit hij wel eens bij een wak, wachten op een naar adem happende vis.

Maar hij is niet zo kieskeurig, hij snackt graag jonge kuikens en aas zoals een dood of verzwakt dier

En om het nog gemakkelijker te maken pikt hij wel eens voedsel van collega-vogels.

Het voedselaanbod bepaalt grotendeels waar zijn broedplek komt. Heeft de zeearendman een vrouw gevonden dan zoeken ze samen een hoge boom uit om het nest te maken. Man gaat flink aan het werk en sprokkelt takken bijeen. Zijn methodes zijn om op een tak te springen die doorbuigt totdat het krakt, of om een tak op de grond te zoeken. Om te bepalen of deze sterk genoeg is hupt hij op de tak. Een derde manier is om een tak af te bijten. De snavel als snoeischaar! Het nest is groot en zwaar. Omdat een zeearendpaar hun leven lang bij elkaar blijft en het nest vaak hergebruikt, wordt dit jaarlijks opgeknapt. Daardoor kan zo’n nest wel duizend kilo wegen na meerdere jaren.

Het legsel bestaat uit één tot drie eieren. De broedduur is 38 dagen, vaak komen niet meer dan twee eieren uit. Man en vrouw broeden om de beurt op de eieren. Het eerste ei kan half februari al gelegd zijn. De jongen blijven nog zo’n 80 tot 90 dagen op het nest. Eenmaal vliegvlug zijn ze nog wel twee maanden afhankelijk van hun ouders. Je ziet ze dan ook wel eens uitrusten op het ouderlijk nest. Maar daarna moeten ze zelf de wijde wereld in. Pas na 4 of 5 jaar zijn de jonge vogels volwassen en krijgen uiteindelijk hun grote-vogels-kleed: een gele snavel, lichte kop en een witte staart. Jonge vogels hebben een bruin-zwarte kop én snavel en geen witte staart. En dan maar hopen dat ze zich ergens in ons land gaan vestigen. Zeearenden kunnen 20 jaar worden, lang genoeg om volop te genieten van deze schitterende vogels.

Meer over de zeearend:

Zeearenden in Polen deel 1

zeearenden in Polen deel 2

De zeearend

naar top van pagina

Kerkuil (Goudûle)

Kerkuil
Kerkuil
vrij algemeen

Zou er een schoonheidswedstrijd voor uilen bestaan, dan was de kerkuil vast de winnaar. Een werkelijk prachtige witte vogel met lichtbruine vleugels waarop het goud glinstert. Niet voor niets portretteert de befaamde schilder Paul Christiaan Bos de kerkuil met echt bladgoud op het verenkleed. (boeken: Uilendagboek, de Uilentuin). Eigenlijk zou hij beter de friese naam goudûle ( gouduil) kunnen dragen. Maar hij is bekender als kerkuil. Ooit nestelend in kerken, schuren en boerderijen. Zijn nestgelegenheden nemen echter af. Kerken en boerderijen hebben vaak de uilengaten dicht gemaakt, schuren ontberen eveneens een goede vliegopening. Gelukkig zijn er nog wel ruimtes waar de kerkuil zijn jongen kan grootbrengen en tegenwoordig worden er regelmatig nestkasten gebruikt om de kerkuil weer naar en in de gebouwen te lokken. Kerkuilen maken zelf geen nest. Als er maar een platte ondergrond is waarop hij zijn braakballen kan deponeren, dan is dat een acceptabele nestplek. Hij zoekt het wel binnenshuis, dus in gebouwen die een vliegopening hebben. Als daar dan ook nog een nestkast achter is gemonteerd, maak je de kerkuil helemaal gelukkig. Soms zoekt hij bij gebrek aan beter een holle boom als nestplek.

De kerkuil is de meest nachtelijke uil. In het allerholst van de nacht gaat hij op jacht. Om goed te zien heeft de kerkuil een sprankje licht nodig, dat is voldoende. Hij heeft een stel ogen die 100 x scherper zien dan wat wij als mens presteren. De ogen zitten onbeweeglijk in de kop, hij kan zijn kop bijna driekwart rond draaien om iets goed te zien. Als het volslagen donker is, kan hij nog steeds zijn prooien vinden. Een wonderlijke eigenschap die te danken is aan een uitermate scherp gehoor. Dat gehoor is een ingenieus systeem. De kerkuil heeft hele grote ooropeningen die voorzien zijn van kleppen (stevige huidplooien). Deze kleppen kunnen als een deksel over de gehooropening worden gevouwen als bescherming tegen geluidsoverlast. Daarnaast dienen deze zeer beweeglijke kleppen als een soort richtmicrofoon die naar alle kanten kunnen draaien. Denk maar aan de oren van een paard, kat of hond. De kerkuil heeft verder de beschikking over een prachtige geluidontvanger,nl. zijn hartvormige gezicht. Dat heet ‘sluier’. En tenslotte staan de oren van de kerkuil asymmetrisch. Het rechteroor ligt op ooghoogte, links een beetje hoger. Geluiden komen daardoor iets eerder bij het ene oor dan bij het andere en zodoende kan de kerkuil bewegingen van zijn prooi volgen. Dit alles maakt de kerkuil in staat om de kleinste geluiden op te vangen. Hij hoort of een muis piept, ritselt tussen de bladeren, onder de grond kruipt of kauwt op een grassprietje. Hij kan door laag te vliegen precies bepalen op welke afstand de prooi zich bevindt. In een greppel, in het gras of op een hoopje grond. (info kerkuilenwerkgroep Nederland)

Je zou zeggen met dit vernuftige systeem kan de kerkuil altijd aan voedsel komen en heeft hij een grote overlevingskans. Toch maakt het hem kwetsbaar. Op lage hoogte vliegen (onder de drie meter) en in wegbermen zoeken naar muizen zorgt ervoor dat de kerkuil vaak verkeersslachtoffer is. En is er een winter met veel vorst en sneeuw, dan kan de kerkuil niet genoeg voedsel (muizen, kleine knaagdieren, vogeltjes, grote insecten) vinden en verhongert hij. Omdat de kerkuil niet drinkt, krijgt hij zonder prooi ook geen vocht binnen. In de winterperiode van 2021 zijn er veel kerkuilen omgekomen, 1 op de 3 hebben het niet overleefd. Kerkuilen kunnen maar een dag of 8 maximaal zonder voedsel omdat ze geen vetreserves opbouwen. Er zijn zomers met veel hitte en droogte, waardoor er een gebrek aan veldmuizen ontstaat. Wederom een slechte tijd voor de kerkuil. We hebben ook zomers gehad met muizenplagen, waardoor het aantal kerkuilen enorm in de lift zat. Het wisselt elkaar af, de natuur regeert. De kerkuil wordt gemiddeld slechts vier tot zes jaar. In gevangenschap kunnen ze 10-15 jaar worden. Opmerkelijk: in 2017 is een geringde kerkuil gevonden die 14,7 jaar was. Een verkeersslachtoffer, hij was maar 2 kilometer verwijdert van de ringplaats. Het kan dus wel, mits de omstandigheden ter plekke goed zijn voor de uil. Er broeden in goede jaren ongeveer 2500 kerkuilen in Nederland (sovon). De aantallen verschillen per jaar soms enorm, maar door de jaren heen blijft het redelijk stabiel. Er is door vrijwilligers veel werk verzet om de kerkuilen te beschermen. Zo zijn er bv. op hectometerpaaltjes langs de snelwegen rollertjes geplaatst, zodat de kerkuilen daar niet meer op gaan zitten maar een alternatieve paal verder weg van het verkeer kiezen. Een prachtig initiatief van Johan de Jong, kerkuilbeschermer in Friesland.

De kerkuil doet er zelf veel aan om als soort in stand te blijven. Ze broeden het hele jaar rond, al is het in de wintermaanden minder. Het legsel bestaat uit 4-10 eieren en vaak hebben ze twee legsels per jaar. In goede voedseljaren zijn er wel eens drie legsels geweest. Is er weinig voedsel dan beginnen de kerkuilen niet eens aan een nest.

Maar eerst vindt het ritueel plaats van elkaar vinden, de balts en een nest kiezen. Een jonge éénjarige kerkuil begint zijn balts met veel lawaai. Hij uit ijselijke kreten en begint daar vaak in februari of maart mee. Hij laat horen dat hij een territorium heeft met genoeg voedsel en goede nestplaatsen. Meestal in een open gebied met landschapselementen zoals boerderijen, schuren, kerken en bouwvallen, in de buurt van akkers en boerenland om te kunnen jagen. De nestplaats wordt door hem uitgekozen door er op vaste tijden prooien heen te brengen. Later gaat hij die prooien opeten, zijn huis is daarmee ingewijd. Nu moet hij een vrouwtje naar zijn nest lokken. Is ze in de buurt dan volgt er een uitgebreide baltsvlucht. Ze zitten elkaar achterna met grote snelheid waarbij je het vleugelklappen kunt horen. Komt het vrouwtje eindelijk in het nest dan geeft de man haar zijn bruidsgeschenk: een onthoofde muis (tevens het recept voor pasgeboren kuikens). Na de vele nachtelijke paringen duurt het nog zo’n 6 weken voor het eerste ei wordt gelegd. Het vrouwtje legt om de dag een ei en manlief zorgt voor het eten. Om dat het vrouwtje meteen de gelegde eieren bebroed, komen de jonge uilen op verschillende dagen uit het ei. Dat is na 28-30 dagen. Voor de kuikens die als laatste uit het ei komen is het vaak een hele klus om op te boksen tegen hun grote broers/zussen bij het uitdelen van het voedsel. Menig jongste overleeft het niet. De uilskuikens oefenen het vliegen op het nest. In de negende week kunnen ze al een rondje buiten het nest vliegen en daarna moeten ze zelfstandig worden. Ze krijgen nog wel eens een hapje van hun ouders, maar moeten zelf ook op zoek naar muizen. Dat valt niet mee, veel jonge kerkuilen van 3 of 4 maand oud redden het niet in de grote wereld. De ouders zijn echter onverbiddelijk en jagen hun jong weg. De jongen gaan op zoek naar een eigen territorium, de ouders maken zich klaar voor een volgend legsel. Man en vrouw blijven een leven lang bij elkaar en blijven trouw aan hun nestlocatie.

De kerkuil, een uil met een gouden randje.

naar top van pagina
Vogels van het platteland

Ooievaar (Earrebarre)


Foto: Piet Munsterman
Toenemend

Een vogel die beslist niet mag ontbreken in het lijstje van vogels in Opsterland is de ooievaar.
Kwamen er in 1975 nog maar negen paren tot broeden in Nederland, nu zijn er weer 380 vrij vliegende broedparen ooievaars. Drie paren hebben we in 2000 binnen onze gemeentegrenzen mogen verwelkomen. Inmiddels broeden er langs de Gorredijksterweg een tiental ooievaars in de bomen. Dankzij herintroductie-projecten gaat het wat beter met de ooievaar in Nederland. Bij het huidige aantal ooievaars is wel een kanttekening te plaatsen. Een beetje neerbuigend worden deze vogels ook wel 'projectooieaars' genoemd. Ooievaars die in zogenaamde ooievaarsdorpen zijn opgefokt.

Deze ooievaars wijken erfelijk af van de langeafstand trekkers van welleer (Midden- en Zuidafrika). De huidige generatie ooievaars zijn geheel of gedeeltelijk standvogels geworden. Het is nog maar de vraag of zij in strenge winters kunnen standhouden zonder hulp en bijvoedring. Niettemin horen ze thuis in onze weidevogelgebieden en wil niemand ze weer kwijt.

 

De belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de ooievaarstand, naast de jacht in het buitenland, zijn de intensivering van de landbouw door ruilverkaveling en grondwaterpeilverlaging, waardoor het voedselaanbod erg verschraalt.
De ooievaar is een vogel van natte weilanden met poelen en slootjes, waar voldoende kleine en grote prooien voorhanden zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de ooievaar zich goed thuis voelt in het stroomgebied van het Koningsdiep.
Voorzichtig statig stappend en aandachtig speurend kunnen we hier de ooievaar weer in het gezelschap zien van de boer die zijn land bewerkt. De ooievaar is zo verweven in folklore en cultuur dat we een beschrijving van kenmerken wel achterwege kunnen laten. Wie kent deze grote zwart/witte vogel met lange rode poten en lange dolkvormige rode snavel nu niet?

naar top van pagina

Boerenzwaluw (Boereswel)


Foto: Jaap Schelvis
vrij algemeen, maar in aantal sterk afnemend

Wie in de zomermaanden wel eens wat vaker een landbouwbedrijf heeft bezocht, herkent deze vogel onmiddellijk: een snel en beweeglijk vogeltje, zwart/blauw glanzend van boven, licht van onder met een opvallend kastanjebruin voorhoofd en keel. Ook heeft hij een opvallende diep gevorkte staart (jonge boerenzwaluwen missen deze gevorkte staart nog).
Met grote precisie weet hij door een kapot ruitje, of deur die op een kier staat, naar binnen te scheren om daar zijn nest, boven op een balk in de schuur te bezoeken. Ze zijn er bijna niet meer, de elektriciteits- of telefoondraden die van huis naar huis gingen, maar vroeger konden er grote groepen boerenzwaluwen al kwetterend op zitten. Een prachtig (nostalgisch) schouwspel wat bijna niet meer is te zien.
De boerenzwaluw jaagt meestal laag boven velden en waterpartijen op insecten. Ook drinkt en baadt de vogel al vliegend. Helaas neemt de 'voorbode van de lente' sterk in aantal af. Grootschaligheid, verstedelijking en verarming van de planten- en insectenwereld werken sterk in het nadeel van deze sierlijke vogel, die zich het beste thuis voelt op het ouderwetse platteland. Bovendien komen ontzettend veel boerenzwaluwen om tijdens hun zware reis naar Midden- en Zuid-Afrika waar ze overwinteren.

naar top van pagina

Grote lijster (Skaarlyster)


Foto: Jan Nijendijk
plaatselijk vrij algemeen

Vaak worden de zanglijster en de grote lijster op één hoop gegooid. Maar de naam zegt het al: de grote lijster is groter dan de zanglijster. Daarnaast staat de grote lijster op de grond rechter dan de zanglijster en bij het zoeken naar wormen kijken ze scheef met de kop naar de grond. Merels doen dit ook.
In de vlucht kan men de grote lijster herkennen aan de witte, buitenste staartpennen. Zijn sterk golvende vlucht lijkt wel wat op die van een specht.
Zanglijsters nestelen vaak op ooghoogte en hebben een redelijk verborgen en gecamoufleerd nest. De grote lijster nestelt meestal hoog in bomen, waar het minder goed tussen de bladeren verborgen is. Hierdoor wordt het nest vaak door eksters en gaaien gevonden. Maar vergis je niet, de grote lijster verdedigt zijn nest fel en onbevreesd. Zelfs katten kan hij verdrijven.
In februari kan men de zang van de grote zanglijster al horen op zijn geliefde plekje ergens hoog in een boom. Zingt daar graag in de regen en avondschemering. Bij regenachtig en winderig weer heeft de grote lijster een speciale manier van zingen. Daarom wordt hij in sommige streken ook wel 'weerhaan' genoemd. Verder lijkt de zang wel wat op die van de merel, vaak afgewisseld met een droog ratelend geluid.

naar top van pagina

Roek (Roek)


Foto: Jan van der Straaten
vrij algemeen

De roek staat over het algemeen niet best aangeschreven. Met zijn zwarte verschijning lijkt hij op een kraai en is hij als kolonievogel nogal nadrukkelijk aanwezig met zijn gekras en uitwerpselen. Ondanks dat het een beschermde vogel is, worden er nogal eens pogingen ondernomen om de vogels te verjagen, waarmee men dan doorgaans alleen maar het probleem verschuift naar andere plekken.
Ondanks zijn negatief imago is het een heel sociale en slimme vogel, die erg nuttig kan zijn omdat hij vooral engerlingen, maden, rupsen enz. op het menu heeft. Ook zullen ze een eitje of jong vogeltje niet versmaden, maar daar zijn ze niet op gespitst.
Hij onderscheidt zich van andere kraaiachtigen door zijn vrij forse lichtgrijze dolkvormige snavel, zijn doelgerichte, statige, ietwat schommelende manier van lopen en slordig aflopende veren aan de poten ('broek').

naar top van pagina

IJsvogel (Iisfûgel)


Foto: wikipedia
zeldzaam

Een blauwe schicht over het water? Het kan niet missen, we hebben hier te maken met een ijsvogeltje.
Deze kleurrijke vogel doet opvallend exotisch aan. Met zijn gedrongen houding, lange dolkvormige snavel en korte staart wordt hij door bijna iedereen herkend als het ijsvogeltje.
Zit vaak bewegingloos op een tak boven (liefst stromend) water om zich vervolgens op een visje in het water te storten. Ook 'bidt' hij vaak in de lucht alvorens hij naar een prooi duikt.
IJsvogels graven hun nest in steile aflopende oeverwallen net boven de waterspiegel. De nesttunnel loopt naar binnen toe wijd uit naar het nestgedeelte. De tunnel loopt iets scheef naar boven. De uitwerpselen van de jongen lopen op deze manier rechtstreeks naar buiten. De nestingang verraadt zich dan ook door smerigheid en een indringende onwelriekende geur.
IJsvogels zijn erg gevoelig voor watervervuiling en strenge winters.
Wordt nog vrij regelmatig in Opsterland waargenomen, o.a. bij Terwispel op het Kolderveen (langs de vaart) en langs het Koningsdiep.

naar top van pagina

Putter

Putter
Putter
Algemeen

Is het nu een putter of is het een distelvink? Dit prachtige, exotisch aandoende vogeltje kennen wij als putter. Zijn wetenschappelijke naam is Carduelis, afgeleid van Cardus, wat distel betekent. Hoe is een distelvink een putter geworden? Dan moeten we terug in de tijd. Distelvinken werden ooit als kooivogels gehouden ( hetgeen nu ook nog voorkomt). Het zijn intelligente dieren en al snel bleek dat je ze allerlei kunstjes kon leren, zoals met een vingerhoed aan een kettinkje water te putten uit een bakje wat onder hen stond. Een putter was geboren. De naam putter werd eerst voor in gevangenschap gehouden distelvinken gebruikt, maar werd later algemeen.

De putter is altijd een tot de verbeelding sprekend vogeltje geweest. Hij is veel op schilderijen afgebeeld , waarvan het schilderij “Het puttertje” van Jacob Fabritius wellicht het bekendste is. In Italië komt de putter vanaf de middeleeuwen al vaak voor op Madonna schilderijen, waarop het Christuskind speelt met het vogeltje (bv. Rafaël: Madonna met distelvink). De relatie met de Madonna en het Christuskind komt voort uit een legende. Tijdens de kruisiging zou een putter een distel uit de doornenkroon van Jezus hebben getrokken, waarbij een straaltje bloed op zijn kop kwam. Vandaar het rode aangezicht.

Het is aantrekkelijk vogeltje. Een bruine rug, zwart-witte kop met rood aangezicht, en gele vleugelbanden. Man en vrouw kleuren bijna hetzelfde, vrouwtje is iets doffer. De putter heeft een pincetvormige snavel. Daarmee en dankzij de stugge rode gezichtsveertjes is hij in staat zaden te halen uit distels. Want dat is het hoofdvoedsel. Hij gebruikt de distel als een voorraadkamer: eerst zoekt hij de zaden die op de grond zijn gevallen, tot deze door sneeuw zijn bedekt . Vervolgens haalt hij de restanten uit de distelplant. Verder haalt hij zijn voedsel uit paardenbloemen, zonnebloemen, klis, kaardenbollen en teunisbloemen. In de winter zijn ook de zaden uit elzenproppen favoriet.

De putter komt overal in Nederland voor. Hij leeft het liefst langs zonnige, bloemrijke randen van loofbossen, op braakliggende terreinen, verwilderde tuinen of straatbeplanting. Waar distels groeien, of andere ‘ruige’ planten. Tijdens het eten hangt de putter soms ondersteboven aan zaadkorven van uitgebloeide bloemen. Hij kan het voedsel met zijn poten vasthouden, wat bij vogels zelden voorkomt. De laatste jaren neemt de putter enorm toe in stedelijk gebied. Blijkbaar kunnen ze zich goed aanpassen aan weinig groen en bomen. Om deze vogels in je tuin te lokken moet je dus genoegen nemen met distelachtige planten, zoals de prachtige kaardenbollen. Maar gelukkig lusten ze ook graag zaden van zonnebloem, teunisbloem, paardenbloem, kruiskruid en bezoeken ze wel eens voedertafels.

In de herfst en winter vormen zich groepen putters. Er zijn doortrekkers, maar ook blijvertjes; veel putters blijven hier overwinteren. Aan het eind van de winter hebben zich paartjes gevormd en gaat de man op zoek naar een nestplek. De stevige komvormige nestjes, doorvlochten met plantenpluis worden bijeengehouden door spinnenwebben. Ze bevinden zich vaak aan het uiteinde van boomtakken. Gemaakt door het vrouwtje, die per jaar twee legsels heeft, bestaande uit vier tot zes eitjes. Na 11-14 dagen komen de eitjes uit en begint het drukke gezinsleven. Beide ouders, trouw aan elkaar (althans voor dit seizoen), voeren de jonge puttertjes insecten, bladluizen en zaden. In de loop van de tijd krijgen ze steeds minder insecten. Na ongeveer twee en een halve week vliegen de jongen uit. Ze worden daarna nog zeven tot negen dagen gevoerd door de ouders. Daarna voegen ze zich bij andere putterpubers en beginnen ouders aan hun tweede broedsel. De putter is een beschermde vogel, hij is niet bedreigd in zijn voortbestaan.

naar top van pagina

Groenling (Fleachsfink)

Groenling
Groenling
Foto: T Geertsma
Vrij algemeen

Veel vogels leven in groepen. Daarin verschillen mens en dier weinig van elkaar. Waarom die groepsvorming? Dat moet een voordeel opleveren. Het geeft veiligheid, predatoren kunnen moeilijker toeslaan. Vele ogen zorgen er voor dat een predator snel wordt opgemerkt en dat er wordt gewaarschuwd. Die vele ogen hebben ook als voordeel dat er sneller voedsel wordt gevonden, het is efficiënt. In een groep kunnen de jongen leren van de ouderen. En het is tevens een soort huwelijksmarkt. Groepen leveren echter ook een nadeel op. Ziektes verspreiden zich sneller.

De groenling is een sociale vogel die buiten broedtijd in groepen leeft. Groenlingen zijn gevoelig voor de ziekte ‘het geel’, trichomonose. Grote groepen van deze vogelsoort stierven door trichomonas, in delen van Europa daalde de populatie met 30 %. De ziekte kon zich snel verspreiden doordat de groenlingen in groepen leven. De laatste twintig jaar neemt het aantal groenlingen weer fors toe.

De groenling behoort tot de vinken en vormt met hen gemengde groepen. Ze hebben grotendeels hetzelfde eetpatroon. Zaden van kruiden,struiken en bomen( taxus en duindoorn), rozenbottels als meest geliefd voedsel en zonnebloempitten of pinda’s van de voedertafels. Ze hebben een stevige snavel waarmee ze de zaden kraken. Dat doen ze op een bijzondere manier: de groenling trilt de zaden in de snavel terwijl hij die ronddraait. Hierdoor komt de vrucht los uit de schil, waarna hij de vrucht eet. Groenlingen zijn regelmatig in tuinen op voederplekken te zien. Hier schuilt ook het gevaar op besmetting met het Geel. Immers, ziektes verspreiden zich snel in een groep. Zorg dus voor goede hygiëne van de voederplekken. Reinig deze regelmatig en verplaats zo nu en dan de voedertafel.

Wanneer de groenling in de groep een partner heeft gevonden, gaan ze in de lente doen wat alle vogels doen: zich voortplanten. Daarbij stellen ze enige privacy wel op prijs en het stel zoekt een geschikte nestlocatie. Niet ver van de anderen, maar toch apart. Ze gebruiken hiervoor wintergroene, liefst stekelige struiken, coniferen of naaldbomen en zo dicht mogelijk bij de grond. Loofbomen en

loofstruiken hebben zo vroeg nog geen blad. Oorspronkelijk leefde de groenling in de bosranden, maar tegenwoordig zijn ze ook in tuinen en parken vaste gasten.

Het vrouwtje bouwt in 8 à 12 dagen een nest en legt hierin 4-6 eitjes. Deze worden in twee weken uitgebroed. Daarna blijven de kleine vogeltjes nog 14-16 dagen in het nest. Ze krijgen bladluizen en mieren te eten. Deze worden voorgekauwd waarna de kleintjes het uitgebraakte voedsel kunnen eten. Manlief helpt wel mee met het voederen. De man heeft het trouwens nogal druk, want hij paart met meerdere vrouwtjes in eenzelfde broedseizoen. En zie dan maar eens al die snaveltjes te voederen.

Na dit eerste legsel trekt de groep vaak weer verder naar een andere plek met voldoende voedsel. De jongen gaan mee, die blijven nog een week of twee, drie bij elkaar. Moeder heeft het dan al te druk met het volgende legsel. Ze maakt weer een nest, waarbij ze wat minder kieskeurig is betreffende de plek. De meeste struiken hebben immers nu wel blad.

De groenling is jaarrond te zien, maar er zijn ook doortrekkers vanuit het noorden. Hij dankt zijn naam aan het uiterlijk: allerlei tinten groen en geel in zijn verenkleed. Een groenling laat zich graag horen. Het is een onvermoeibare zanger. Hij zingt tijdens de vlucht, in hoge bomen en op daken van huizen. Let vooral op een kanarieachtig gekwetter met een rauw, dalen wèèèh. In het broedseizoen kun je hem vaak na zonsopgang horen. Hij heeft een opmerkelijke vleermuisachtige vlucht, met trage diepe vleugelslagen en zingt. Deze zangvlucht is onderdeel van het baltsgedrag.

naar top van pagina
Watervogels

Grote zilverreiger (Grutte Wite Reager)


Foto: T. Geertsma
Steeds algemener

Omstreeks 1902 werden honderdduizenden Grote zilverreigers afgeslacht omdat het toen mode was om de sierveren uit het broedkleed te dragen. Langzaam herstelde de populatie zich en kunnen we tegenwoordig steeds vaker van deze prachtige reiger genieten in het polderlandschap. De Grote ziverreiger is zo groot als de Blauwe reiger en geheel wit. De snavel is overwegend zwart met aan de basis geel. De poten zijn zwart.

naar top van pagina

Kuifeend

Kuifeend
Kuifeend
Foto: T Geertsma
Algemeen

Hij ziet er deftig uit in zijn zwart-witte pak. Dan zie je opeens die kuif, afhangend aan zijn kop. Ballorig? Ondeugend? Of is het een kenmerk van schoonheid? Het staat hem wel en hij ontleent er zijn naam aan: kuifeend. Zijn vrouwtje is een stuk bescheidener. Zij is in het bruin gekleed met een klein , onopvallend kuifje. Handig die bruine kleur, dan zien ze haar niet zo snel op het nest. Dat nest ligt vaak aan een oever, in de rietkragen. Het liefst maken ze hun nest op een eilandje, maar die zijn niet altijd voor handen. Ook nestelen ze graag tussen bv. meeuwen, want die krijsen luid genoeg wanneer er onraad is.

Ze hebben allebei mooie, knalgele ogen met een zwarte pupil. En na de rui zien ze er allebei wat bruinig en rommelig uit. Voor de winter hebben ze hun ‘gewone’ verenpak weer terug en manlief straalt extra in zijn prachtkleed (verenpak tijdens baltsperiode en broedseizoen) als de lente komt. Hij moet immers een vrouwtje vinden. Kuifeenden hebben ieder jaar een andere partner. Hij begint al in de winter rond te kijken zodat hij in de lente klaar is om een familie te stichten.

We denken misschien dat we in onze wintertijd dezelfde kuifeend zien als ’s zomers. Dat is ten dele waar. Waarschijnlijk is die kuifeend in de winter een exemplaar uit noordelijker gebieden en zijn ‘onze’ kuifeenden een stukje naar het zuiden (zuid Frankrijk) getrokken. Maar door de zachte winters blijven veel kuifeenden tegenwoordig lekker hier. Het is een fluctuerend geheel, afhankelijk van de weersomstandigheden en aanwezigheid van voedsel.

Wat voedsel betreft verraadt de kuifeend zijn roots: het is een duikeend. En dat laat hij goed zien. Kuifeenden eten waterslakken, weekdieren, kreeftjes, kleine visjes, waterinsekten en zoetwatermossels. Het liefst verblijven ze in diepere zoetwatergebieden. Je zult een kuifeend niet vaak aan zee zien, behalve tijdens de trekperiode. In diepere meren kan de kuifeend volop duiken, wel tot zeven meter diepte. Het mannetje kan maximaal 30 seconden onder water blijven. Ze zijn een groot deel van de dag bezig met het zoeken naar voedsel onder water. Er is echter ook tijd voor ontspanning. Ze vinden het heerlijk wat rond te dobberen op grote meren. Kuifeenden hebben vrij ver naar achteren geplaatste voeten, wat veel stuwkracht geeft voor het duiken. Met die zwemvoeten kunnen ze in stromend water fijn peddelen tegen de stroom in en blijven zo op dezelfde plek in het water. Omdat je met zulke grote voeten niet zo makkelijk loopt, blijven kuifeenden bijna altijd in het water.

Het vrouwtje broedt de 6-14 eieren alleen uit en verzorgt de kuikens alleen, zoals alle eenden dat doen. Zijn er méér dan 14 eieren dan heeft een ander vrouwtje er eieren bij gelegd. Na een broedtijd van 23-26 dagen komen de jongen uit. Die kunnen na een paar uur al mee met moeder om eten te zoeken en ze kunnen met negen weken vliegen. Het vrouwtje blijft nog wel een week of 9 voor de jongen zorgen. Kuifeenden zijn dus druk bezig met het zich vermeerderen. De hoeveelheid kuifeenden in ons land blijft redelijk stabiel. Vóór 1940 kwamen ze hier nauwelijks voor, daarna kwam er een enorme toename van deze eenden in West-europa. Waarschijnlijk omdat er in Oost-europa sprake was van verdroging en ontginning van de broedgebieden. Tegelijkertijd werden de wateren in Nederland voedselrijker. De kuifeend profiteert van natuurlijke graslanden en natuurvriendelijke oevers. De meeste kuifeenden zijn te vinden in het noord-westen van Nederland. Grootste bedreiging is het verdwijnen van geschikte leefgebieden. Door verstoring en verstedelijking is er een verminderd broedsucces en buiten het broedseizoen hebben ze last van de vele waterrecreanten. Ook al leven ze dichtbij de mens, ze houden wel van rust. Dus geniet ervan op afstand.

naar top van pagina

Slobeend (Weterslob)

Slobeend
Slobeend
Vrij algemeen maar sterk afnemend

Een slobeend slobbert op zijn gemak in ondiepe wateren zijn voedsel op. Hij heeft een grote, lepelvormige snavel waarmee hij het wateroppervlak afzoekt. Die snavel zegt iets over de specialistische manier waar en hoe de slobeend eet. Hij eet niet op het land zoals andere eenden wel doen, maar alleen in het water. Neemt een schep water, sluit zijn snavel en perst langs de zijkanten het water er weer uit, waarbij het tegelijk wordt gezeefd. Er zitten nl. aan de binnenkant fijne ribbeltjes, lamellen, waar het voedsel in blijft hangen. Slobeenden hebben een gevarieerd menu. Allerlei kreeftachtigen, weekdieren, insekten, larven en zaden van waterplanten eet hij smakelijk op. Hij verkrijgt ook voedsel door te grondelen. Dan komt het voedsel uit dieper water naar boven. Heel slim doet de slobeend dit in groepsvorm. Ze zwemmen in lijn- of cirkelformatie en profiteren van hetgeen de buurvogel naar boven wervelt. Is hij alleen dan maakt hij een soort draaikolk, wat er ook voor zorgt dat voedsel omhoog komt. Je moet er wat voor over hebben. Desnoods duikt hij met zijn kop het water zover in dat je alleen het staartpuntje nog ziet. Het neemt allemaal veel tijd in beslag.

In de liefde houdt de slobeend van kalm aan doen. Zo begint hij in december al te zoeken naar een vrouwtje. De mannetjes zijn hier enthousiast mee bezig en verzamelen zich opdringerig rond één vrouwtje. Ze sloven zich uit door met de snavel omhoog te zwemmen. Af en toe vliegen ze lawaaierig over het water, dat zal vast indruk maken. Vrouwtje maakt haar keuze bekend door naar een mannetje toe te zwemmen. Dan zoeken ze samen een broedplek uit. Deze moet goed verscholen zijn tussen dichte vegetatie zoals riet, graspollen of biezen op het grasland, niet ver van de waterkant. Andere slobeenden in de buurt vinden ze wel gezellig. Zo’n 95% gebruikt indien mogelijk hetzelfde nest als vorig jaar. Er wordt niet ingewikkeld gedaan over een nest. Het vrouwtje drukt met haar borst een ondiepe kuil in de grond en bedekt dat met gras, blad en veertjes. Inmiddels is het april geworden en dan begint het vrouwtje met eieren leggen. In een paar weken tijd legt ze 9-14 eieren. Pas als het laatste ei is gelegd begint ze met broeden. Manlief houdt de hele tijd de wacht. Wanneer de jongen na 25 dagen uitkomen gaan ze meteen op pad. Wel in de buurt blijven is het devies van de ouders, die hun vlerken vol hebben aan de kleine slobeendjes. Na een week of 7 kunnen de eendjes vliegen. Jaarlijks is er één nest, de geschikte broedtijd duurt tot in juli. Mocht een nest verloren gaan, dan begint het paar weer met een nieuwe. Om te voorkomen dat hun nest prooi wordt van predatoren, nestelen slobeenden graag in de buurt van broedende kieviten en grutto’s. Betere bewakers zijn er niet!

Natuurlijke predatoren kent de slobeend nauwelijks. Eierenrovers en inperking van hun leefgebied zijn de grootste vijanden. Mocht er toch een predator verschijnen, dan heeft het vrouwtje een probaat middel: ze laat sterk stinkende poep achter op het nest. Slobeenden zijn trouwens ook geen smakelijk hapje, hun vlees is niet lekker. Daardoor worden ze niet bejaagd.

Een slobeend kan moeiteloos wegvliegen, hij heeft krachtige vleugelslagen die bij het opvliegen een typisch ratelend geluid maken (territoriumbewaking?) én hij kan heel snel vliegen. Er zijn snelheden van 85 km per uur gemeten.

Het hele jaar zijn er slobeenden te zien in ons land. Naast de blijvers, komen er ook veel doortrekkers en wintergasten langs. Gewoonlijk leven ze in paartjes of kleine groepen, tijdens de trek kun je grote groepen zien die in ons land uitrusten en foerageren. In midden Europa, dus ook in Nederland, blijven slobeenden dankzij een gematigd klimaat. Er is een gestage daling van het aantal slobeenden in ons land zichtbaar, sinds 1960 als broedvogel 25 tot 50 %. Ze staan als bedreigde broedvogel dan ook op de rode lijst in Nederland. Verlaging van waterpeil en het intensiever gebruiken van weidegronden verstoren de broedplekken en de rust. De slobeend is zeer gevoelig voor verstoring. Hij heeft ruim de tijd en rust nodig voor foerageren, voor paarvorming, nestelen en het grootbrengen van de jongen. Moeder neemt haar jongen zo snel mogelijk mee het veilige water op waar ze minder last hebben van het werk op het land. Belangrijk is wel dat er ruim voldoende oeverbegroeiing aanwezig is

De meeste kans om slobeenden te zien is in het voor- en najaar. Want dan komen honderden slobeenden die op trek zijn hier uitrusten. Ze zijn graag in ondiepe wateren die niet groot hoeven te zijn. De hier blijvende broedeenden vind je in ondiepe zoetwaterplassen, duinmeren, drassige weiden, voedselrijke sloten en in brakke kustgebieden.

naar top van pagina
Ganzen

Rietgans (Swartkopgoes /Blaupoatsje-kleine rietgans)

Rietgans
Rietgans
Vrij algemene wintergasten

Het klinkt zo simpel: de rietgans. Toch is er verdeeldheid over wie nu de echte ”rietgans” is. Er zijn nl. drie soorten. Sommige wetenschappers spreken van één soort met ondersoorten. Zo zouden de taigarietgans (anser fabilis) en toendrarietgans (anser fabilis serriostris) eerst één soort zijn die zich op een gegeven moment splitste. Later kwamen de soorten weer bij elkaar waarna er opnieuw een samensmelting van deze twee leek te ontstaan. De kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) is juist een soort die uit een ander gebied komt. Voor dit artikel gaan we uit van drie soorten: de taigarietgans, de toendrarietgans en de kleine rietgans. De taigarietgans en toendrarietgans lijken het meest op elkaar. Er zijn kleine verschillen. Zo heeft de taiga een kleinere kop dan de toendra met meer oranje op de snavel. En de kleine rietgans heeft roze op de snavel en roze poten.

Meer verschillen zijn er in hun levenswijze. De taiga en toendra broeden in Scandinavië en tot ver in Siberië, terwijl de kleine rietgans op Groenland, IJsland en Spitsbergen broedt. Ook hun naam verraadt iets: de taigarietgans heeft zijn gezinsleven in de taiga’s, de door bos omgeven veenmoerassen. De toendrarietgans vindt je in hun broedseizoen op de toendra’s.

Het zijn alle drie ganzen die hun levenlang trouw blijven aan de partner. En alle drie zijn ze als trekvogel ook in Nederland te zien.

Van november tot februari komt de toendrarietgans naar Nederland om te overwinteren. Ze zitten vooral op bouwland waar aardappelen en suikerbiet op heeft gegroeid. De taigarietganzen zijn ook in dezelfde periode in Nederland. Deze ganzen kun je treffen in de akkerbouwgebieden van Drenthe, maar ook in Brabant en Gelderland. De taigarietgans is een bedreigde soort. De kleine rietgans die in Nederland overwintert, komt van Spitsbergen. Ze strijken in grote getale neer in zuid-west Friesland. Daar is grasland in overvloed. Deze ganzen zijn al in september te zien. Ze zijn ongeveer twee maanden in Friesland, waarna ze verder overwinteren in zuid-west Nederland en West-Vlaanderen. In december vliegen deze ganzen al weer naar het noorden, meestal in één ruk door naar Denemarken. Daar wachten ze de lente af waarna ze weer naar Spitsbergen vliegen om te broeden.

Het blijkt de laatste jaren, dat ganzen zich kunnen aanpassen aan veranderingen in de leefomgeving. Het viel op dat er minder ganzen naar Friesland kwamen (Sovon observaties). Veel ganzen blijven in Denemarken en eten daar naast gras ook maïs of restanten van aardappelen en suikerbieten. In Friesland is dat afgelopen jaren ook gezien. Kleine rietganzen die de maïslanden afstruinen op zoek naar voedsel. Voorheen verbleven ze op enkele honderden vierkante meters rond dorpjes als Blauwhuis, Folsgare, tegenwoordig zijn ze tevens gesignaleerd in de buurt van St. Nicolaasga, Fochteloo en in Oost-Groningen. De vraag is of het gras minder lekker is geworden of dat er andere redenen zijn dat de ganzen hun menu hebben gewijzigd. Gemak dient de gans, waar lekker eten is daar blijven ze hangen.

De jongen die door de vrouwtjesganzen worden uitgebroed (meestal 3-5) verblijven de eerste overwintering bij hun ouders. Slechts enkele maanden oud maken ze de lange reis naar Nederland en omliggende landen. Onderweg zijn er diverse fourageerplekken.

naar top van pagina
Geaflecht Artikelen
In de Geaflecht zijn de afgelopen jaren diverse artikelen verschenen over Vogels. Een selectie hiervan staat ook op deze site:

Links

Op het Internet zijn veel sites over vogels te vinden. Kijk maar eens op vogelaar.pagina.nl of natuur.pagina.nl.


Een paar sites die er wat ons betreft uitspringen zijn:

IJsvogel
Een site, die helemaal gewijd is aan dit exotische vogeltje, die ook in onze omgeving regelmatig gezien wordt.
Met informatie over onder andere biotoop, weetjes, foto's en literatuurverwijzingen.

240 vogels
Een site met uitgebreide informatie over 240 broedvogels en wintergasten. Bij elke vogel is ook een foto opgenomen en is het geluid te horen.

Vogels van Drenthe en Groningen
Vogelwaarnemingen uit gebieden in Drenthe en Groningen.


En natuurlijk de sites van enkele, grotere organisaties, die een schat aan informatie over vogels op hun site hebben staan:

SOVON
SOVON organiseert landelijke vogeltellingen om te onderzoeken hoe het met de Nederlandse vogels is gesteld. Informatie over deze vogeltellingen en inventarisaties vindt u op hun site. Er zijn ook heel veel links naar andere sites over vogels opgenomen.

Vroege vogels
Veel informatie over vogels op de site van dit radioprogramma. Via een zoekmachine komt u snel bij die informatie die u zoekt.

Vogelbescherming
En natuurlijk niet te vergeten, de site van de Vogelbescherming. Met informatie over belangrijke vogelgebieden, vogels in de tuin en vogels van de Rode Lijst.