20 februari 2022

Verslag lezing ooievaars

Verslag lezing ooievaars

Na twee jaar pauze i.v.m. de corona pandemie, konden we weer een bijeenkomst organiseren. En wat is dan mooier om te starten met een lezing over de geluksbrenger bij uitstek: de ooievaar. Haye Folkertsma van ooievaarsstation it Eibertshiem te Eernewoude vertelde ons over deze bijzondere, opvallende vogel. Iedereen kent de ooievaar, met name als brenger van nieuw leven. Geboortekaartjes en allerlei hebbedingetjes rond de geboorte van een kind worden opgeleukt met de print van een ooievaar. Dat de ooievaar in de jaren rond 1970 bijna was uitgestorven in Nederland (nog 17 broedparen!) had echter geen invloed op het geboortecijfer van kinderen in ons land….

Het maakte wel een aantal ooievaar liefhebbers alert. Er moest iets gebeuren. In Zuid-Holland was een fokstation opgericht naar Zwitsers model. Dhr. Folkertsma verdiepte zich hierin en kreeg het verzoek dit project verder uit te rollen over Nederland. Zo ontstonden er 14 foklocaties en in 1969 startte it Eibertshiem. Hier werden ooievaars in gevangenschap gehouden en een fokprogramma opgezet. Dit had een lange adem nodig. Je kunt wel twee ooievaars bij elkaar in een kooi zetten, maar of het dan klikt is maar de vraag. Gelukkig werden er op vrij natuurlijke wijze paartjes gevormd. Dat moesten de ooievaars echt zelf doen, want uiterlijk is er geen verschil tussen man en vrouw. Alleen DNA onderzoek kan dat uitwijzen. Maar goed dat ze het zelf wél weten. De broedresultaten waren de eerste jaren summier. In 10 jaar tijd kwamen er 14 jonge ooievaars tot volwassenheid. Maar de volgende 5 jaar groeide dit tot 60 jongen. Zo snel het kon werden de ooievaars stapsgewijs in vrijheid losgelaten. En uiteindelijk waren na 25 jaar fokken de kooien en het voeren niet meer nodig. In 1997 begon de groep ooievaars in Beetsterzwaag zich te vormen. Nu woont er een hele populatie rond het Koningsdiep. Er zijn zo’n 50 nesten en die hoeveelheid blijft door de jaren heen stabiel. Het gebied voorziet in de voedselbehoefte voor een bepaald aantal ooievaars, de rest vliegt gewoon verder. Ze vestigen zich inmiddels ook in Hemrik, Bakkeveen en verdere omgeving.

Voldoende voedsel en nestgelegenheid zorgt voor verspreiding. Van oorsprong zijn het vogels die in de rivierdelta leven. Deze vochtige omstandigheden zoeken ze ook nu op. Hun menu is gevarieerd. Ze eten graag wormen, slakken, grote insecten, rivierkreeften, maar ook grotere prooien als mollen, muizen of heel soms een vis, jonge haas of eendenkuikens. Velen denken dat ooievaars als hoofdvoedsel kikkers eten, of pasgeboren weidevogels. Maar dat is een misverstand. Ze eten wel eens een kikker, maar zijn soms wel 10 minuten bezig om dat glibberige hapje naar binnen te werken. Dan is een andere keus snel gemaakt. En een bedreiging voor de weidevogels vormen de ooievaars ook niet. Onderzoekers hebben nog nooit een ooievaar betrapt met een grutto- of kievitskuiken in de snavel. Ooievaars foerageren slechts in een gebied van 2,5 km vanaf hun nest. En er zijn niet veel ooievaars in de weidevogelgebieden. Toch zijn er, nu het goed gaat met de ooievaar, geluiden te horen dat er veel te veel ooievaars zijn en dat ze dus ‘beheerd’ moeten worden. Ook is er opeens geen steun meer voor de diverse ooievaarsstations, terwijl dat eerder volop aanwezig was. Wat zijn de feiten?

Folkertsma vertelt dat er nu 1250 broedparen zijn in Nederland. Als je dat vergelijkt met andere grote vogels, ontstaat er een verrassend beeld. Want de purperreiger wordt door de meeste mensen als zeldzaam ervaren. Toch zijn er zo’n 1050 broedparen van in ons land, alleen die zie je niet. En van de blauwe reiger zijn er heel veel. De laatste Sovon telling gaf 11.700 broedparen aan. Toch wordt de blauwe reiger niet gezien als een vogel waar er veel te veel van zijn. Dat de ooievaar ten onrechte dit stempel heeft is mogelijk te verklaren uit het feit dat het zulke opvallende vogels zijn. En ja, als de boer het land bewerkt kan het zomaar zijn dat er 30-40 ooievaars achteraan lopen om een makkelijk hapje te scoren.

Zijn bekendheid lijkt soms een nadeel te vormen. Het is echter een vogel geworden die leeft in onze omgeving. Folkertsma liet talloze prachtige foto’s zien waarop de ooievaars hun nesten hadden in bomen, maar ook op daken, hoogspanningsmasten en kunstmatige ooievaarsnesten. Dat het een trekvogel is die je hier in de winter niet ziet is ten dele waar. Zo’n 80 % overwintert in Spanje of in Afrika. Er zijn echter steeds meer ooievaars die hier blijven . Ze vinden voedsel op bv. vuilnisbelten of langs de rivieren. In de zachte winters vinden ze voedsel genoeg. Maar ze worden ook nog wel gevoerd, wat eigenlijk niet de bedoeling is. Al met al zijn er ’s winters ongeveer 500 ooievaars die hier blijven.

De toekomst van de ooievaar ziet er gunstig uit, maar het blijft een vogel die onze aandacht nodig heeft. Dhr. Folkertsma heeft ons voldoende stof tot nadenken meegegeven. De film die de 19 aanwezigen na de pauze te zien kreeg toonde maar weer eens aan hoe belangrijk vogelbescherming blijft.


« terug