19 maart 2026
Verslag lezing “De Huismus” door René Oosterhuis
Op 19 maart werden we door René Oosterhuis uitvoerig voorgelicht over de Huismus waar hij al bijna 20 jaar onderzoek naar doet. Het lijkt zo’n gewoon vogeltje dat je overal en nergens tegenkomt. Maar schijn bedriegt. De afgelopen decennia is “Passer Domesticus” met zo’n 50% afgenomen. Zijn neef de Ringmus doet het nog slechter. Daarvan is de stand met circa 90% afgenomen. Hoe dat precies komt is lastig vast te stellen omdat er meerdere factoren een rol spelen. Voedsel, voortplanting en veiligheid spelen daarbij in ieder geval een grote rol.
Bij voedsel gaat het niet alleen om voldoende voedsel voor de oudervogels maar misschien nog wel meer om (geschikt) eiwitrijk voedsel voor de jongen. Insectenpopulaties staan in Nederland (en ver daarbuiten) onder druk en dat vertaalt zich zeker in de beschikbaarheid (en bereikbaarheid) van voldoende hoogwaardig voedsel voor de jongen.
Het in de broedperiode ter beschikking stellen van voedsel als meelwormen fungeert daarmee als een magneet op de oudervogels. Binnen no-time zijn de aangeboden wormen op.
Het verschil in de beschikbaarheid van goed voer voor de jongen komt ook in het onderzoek van René duidelijk naar voren. Zo heeft hij o.a. een onderzoeksgebied in de biologische boomkwekerij “De Baggelhof” onder Leek. Door met camera’s en ringen de vogels individueel te kunnen herkennen, blijkt dat een locatie die zich kenmerkt door én voldoende voedsel én voldoende dekking c.q. geschikte broedplaatsen aanzienlijk meer jongen per paar oplevert dan een veel meer versteende omgeving als de kern van Leek. Ook kon geconstateerd worden dat er per saldo een “trek” is van de “overschotgebieden” naar de “tekortgebieden” qua uitgevlogen jongen.
Dat trekken van Huismussen is overigens zeer beperkt. Verder dan een paar kilometer zal een huismus niet snel wegtrekken en enkele tientallen kilometer is een unicum. Blijkbaar heet de vogel ook niet voor niets “Huismus”.
Bij het broeden is opvallend dat het mannetje en het vouwtje na het uitvliegen van de jongen elk een deel van de jonge vogels onder zijn of haar hoede neemt. Zo wordt die taak eerlijk verdeeld (en mogelijk ook het risico op predatie). Helaas vallen veel (jonge) mussen ten prooi aan predatoren als de Sperwer of de huiskat. Ook het verkeer en raamslachtoffers eisen hun tol. Al die factoren zijn niet te voorkomen maar het zo inrichten van de tuin dat er voldoende dekking is (met heggen en (doorn)struiken als Slee- of Meidoorn) heeft zeker effect. Ook het creëren van “overhoekjes” met holtes, het plaatsen van nestkasten of het ervoor zorgen dat er onder de dakpannen plekken zijn die de mussen kunnen bereiken (en niet alles potdicht afsluiten) heeft zeker effect.
Eenvoudig is het onderzoek naar huismussen niet. Om ze onderling te kunnen herkennen moeten ze geringd worden. Bij twee pootjes en 2 (kleur)ringen per poot zijn er heel wat kleurcombinaties mogelijk. Door te voeren en gebruik te maken van hoogwaardige camera’s, is het tegenwoordig relatief eenvoudig om de geringe vogels in de tijd te volgen. Zodoende is ook vastgesteld dat ze vermoedelijk maximaal rond 7 jaar oud worden.
Het vangen van huismussen is overigens niet eenvoudig en een eenmaal gevangen mus is vrijwel niet nogmaals te vangen. Ze zijn daarmee behoorlijk slimmer dan koolmezen die zich soms steeds weer in hetzelfde net laten vangen. Van de slimheid van de huismus zal zijn toekomst niet afhangen. Als wij als mensen dan voor een goed ingerichte leefomgeving zorgen, moet er zeker nog een goede toekomst voor deze huisvriend zijn weggelegd.
